Alle voorgaande eisen en randvoorwaarden in hoofdstukken 4.3 en 4.3.1 zijn ook van toepassing.
Den helder heeft voor een kleine 80% eigen net en maakt voor de overige 20% gebruik van het gereguleerde net van de netbeheerder. Ook wel het combi-net genoemd.
Voedingskabels
Code
Omschrijving eis/uitgangspunt
Toelichting
3.1.3-1
Alle nieuwe lichtmasten worden aangesloten op het eigen net van gemeente Den Helder.
Het eigen net van gemeente Den Helder beslaat een 400 km kabel, 350 voedingskasten en 300 koppel/doordeel kasten.
3.1.3-2
Als er geen eigen kabel van gemeente Den Helder in de nabijheid is dan zal er een nieuwe voedingskabel moeten worden gelegd vanaf een OV kast of nieuw te plaatsen voedingskast waar een aansluiting van de netbeheerder in kan worden gerealiseerd.
Zie hoofdstuk 4.3.1.4 Voeding- en verdeelkasten.
3.1.3-3
Bij elk ontwerp moet rekening gehouden worden met dat gemeente Den Helder uiteindelijk al zijn kabelnet in eigen beheer wilt hebben en dat we standaard nieuw kabelnet uitvoeren als een 3 fase nul aarde aansluiting.
Voedingsnet
Code
Omschrijving eis/uitgangspunt
3.1.3-4
Eigen voedings- en verdeelkasten 25A, aangesloten op het gereguleerde voedingsnet van de regionale netbeheerder.
3.1.3-5
Eigen voedings- en verdeelkasten 10A (onderverdeelkast), aangesloten op een afgaande groep uit de voedings- en verdeelkasten
3.1.3-6
Eigen gevel voedings- en verdeelkastjes, aangesloten op het gereguleerde voedingsnet van Liander of op het eigen voedingsnet.
3.1.3-7
Afgaande groepen, de eigen voedingskabels vanuit de eigen voedings- en verdeelkasten of verdeelkasten en vanuit de eigen gevel-voedings- en verdeelkastjes.
3.1.3-8
Aansluitkastjes, zekeringkastje voor een of meerdere lichtpunten (bv overspanningen) waarop de eigen voedingskabel wordt aangesloten.
3.1.3-9
Aardpulsen, de aardweerstanden die worden aangebracht voor aarding van de eigen voedingskast, eigen verdeelkast, eigen voedingskabel of object.
3.1.3-10
Bij de aanleg van een eigen voedingsnet voor openbare verlichting is de aanwezigheid van elektrisch vermogen geen hoofdcriterium maar een ontwerponderdeel. Voor de te plaatsen lichtpunten wordt vooraf gekozen voor een aansluitwijze. Indien langs het te verlichten traject geen eigen voedingskabel voor openbare verlichting (OVL) aanwezig is, wordt voor de lichtpunten een aparte OVL kabel aangelegd. Vanaf een leveringspunt, van het energiebedrijf wordt het OVL-net, het eigen voedingsnet, op het laagspanningsnet aangesloten. Het leveringspunt bestaat meestal uit een aansluitkast, een voedings- en verdeelkast.
Eisen, normen, voorschriften en richtlijnen
Code
Omschrijving eis/uitgangspunt
3.1.3-11
Het ontwerp van de gehele installatie eigen voedingsnet dient te voldoen aan de NEN 1010.
3.1.3-12
De voedings- en verdeelkast moet voldoen aan de NEN 1010 en overige eisen zoals vermeld hoofdstuk 4.3.1.4 Voedings- en verdeelkasten
3.1.3-13
De aansluiting van een lichtpunt komt door een aftakmof, een gietmof, in de voedingskabel tot stand. Om redenen kan gekozen worden om de aansluiting van meerdere lichtpunten door te lussen. Dit is mogelijk bij toepassing van een voedingskabel zonder hulpader(s) tot en met 10mm² voor de zekering.
Ontwerp van leidingwerk
Code
Omschrijving eis/uitgangspunt
3.1.3-14
Spanningsverlies tussen de voedings- en verdeelkast en het verste lichtpunt mag bij normaal bedrijf niet meer afwijken dan 5%, uitgaande van de ideaalsituatie.
3.1.3-15
De arbeidsfactor cosinus phi (cos ) van het systeem moet minimaal 0,9 zijn.
3.1.3-16
Als netspanning tussen fase en nul dient een waarde te worden aangehouden van 230V.
3.1.3-17
Als netspanning tussen de drie fasen dient een belaste waarde te worden aangehouden van 400Volt.
3.1.3-18
Afgaande groepen dienen bij het ontwerp gelijk te worden belast.
3.1.3-19
De uitgangspunten en functionele eisen voor de ordening van ondergrondse netten dient de WIOR te worden gehanteerd.
3.1.3-20
Het door alle belanghebbende te volgen proces om tot een dwarsprofiel te komen is beschreven in de WIOR. Binnen dit proces worden niet alleen de te nemen stappen, maar ook de verantwoordelijkheden omschreven. Deze richtlijn dient te worden gehanteerd.
Beveiliging
Code
Omschrijving eis/uitgangspunt
3.1.3-21
Aardingsvoorzieningen moeten zodanig zijn dat:
• hun weerstand blijvend voldoende laag is:
• zij bestand zijn tegen thermische en mechanische belasting door aardfoutstromen en aardlekstromen;
• zij bestand zijn tegen uitwendige invloeden of zijn voorzien van een aanvullende bescherming.
3.1.3-22
Bij foutieve bedrijfsvoering dient het afschakelgedrag van de installatie volgens de NEN 1010 eisen plaats te vinden.
3.1.3-23
Lichtmasten moeten selectief beveiligd zijn ten opzichte van hun elektrische voeding.
3.1.3-24
Het eigen voedingsnet dient zelf voorzien te zijn van een laagohmige veiligheidsaarding (TT-Stelsel).
3.1.3-25
Lichtmasten dienen voorzien te zijn van een nul verbinding met aarde in de mast en in de aansluitmof (TN-CS-Stelsel).
3.1.3-26
De aardverspreidingsweerstand dient te worden berekend met de volgende formule Ra= 25/I-nom.
Voedingskabels
Code
Omschrijving eis/uitgangspunt
3.1.3-27
In gemeente Den Helder passen we de volgende kabels toe:
EO-YmeKaszh OV 4x2,5 mm2
EO-YmeKaszh OV 4x6 mm2
EO-YmeKaszh OV 4x10 mm2
3.1.3-28
In de grond gelegde kabels moeten van het type EO-YmeKaszh OV met groene strepen in de langs richting.
3.1.3-29
De voedingskabels dienen een minimale aderdoorsnede van 6mm² te hebben en moeten minimaal 4 aderig zijn.
3.1.3-30
Als een uitbreiding van het OV-net op een bestaand 3-aderige voedingskabel moet worden aangesloten, dan moet de uitbreiding op die kabel 4-aderig zijn. Bijzondere aandacht moet geschonken worden aan de afschakeltijden van de beveiliging.
3.1.3-31
Eindstrengen van voedingskabels waarop uitbreiding van het aantal lichtmasten niet mogelijk is, mogen indien de voorschriften dit toelaten ook een aderdoorsnede hebben van 2,5 mm².
3.1.3-32
Aftakkingen en verbindingen moeten fysiek bereikbaar zijn.
Aansluitleidingen
Code
Omschrijving eis/uitgangspunt
3.1.3-33
Aansluitleidingen moeten een minimale aderdoorsnede hebben van 2,5 mm².
3.1.3-34
Aansluitleidingen moeten 4 aderig zijn.
3.1.3-35
Bij elke lichtmast moet minimaal 1,5 meter kabel op rol worden gelegd.
3.1.3-36
In de nieuwe kabels zijn de volgende aderkleuren van toepassing:
Bruin = fase
Zwart = fase
Grijs = fase
Blauw = Nul
3.1.3-37
Bij bestaande kabels dient er contact met de beheerder van de Openbare Verlichting opgenomen te worden.
3.1.3-38
Aansluitsnoeren in lichtmasten moeten bestand zijn tegen zwavelzuurdampen, verontreinigd condenswater en zijn voorzien van soepele aders.
3.1.3-39
De aderdoorsnede van aansluitsnoer moet minimaal 1,5 mm² zijn en voorzien zijn van minimaal 3 aders.
Aarding
Code
Omschrijving eis/uitgangspunt
3.1.3-40
De aardpuls van de voedingskast moet een aardverspreidingsweerstand hebben conform het gestelde in de NEN 1010 laatste druk.
3.1.3-41
De doorsnede van de in de kast ingevoerde aardedraad is minimaal 25 mm2 en aangesloten op een aardverdeelblok.
3.1.3-42
Deuren en afsluitbare deksels moeten zijn geaard d.m.v. een aardlits die onlosmakelijk is verbonden met de kast.
3.1.3-43
De maximale lengten van in de grond gelegde kabels, gerekend vanaf het voedingspunt, zijn vast gelegd in de NEN 1010 laatste druk. Voedingskabels moeten, gezien vanaf de voedingskast, om de 300 meter te zijn voorzien van een veiligheidsaarding die is aangesloten op de aardlitze van de voedingskabel.
3.1.3-44
De lichtmasten moeten doormiddel van de aardlits in de grondkabel via het aardcontact van de lichtmast aansluit set aan de lichtmast worden verbonden met een RVS bout M6 met RVS sluitring.
3.1.3-45
De armaturen moeten via het aansluitsnoer in de lichtmast set op het daarvoor bestemde contact worden geaard.
3.1.3-46
In de kabelmoffen en lichtmast aansluitsets zijn verbindingen tussen nuladers en aarde-aders niet toegestaan.
3.1.3-47
Als aardelektroden mogen worden toegepast aardstaven, draad of aardbuizen vervaardigd uit staal of koper. De afmetingen dienen gekozen te zijn conform tabel 54A uit de laatste uitgave van de NEN 1010
3.1.3-48
Alle aardverbindingen monteren conform de laatste uitgave van de NEN 1010. De aardelektrode dient dusdanig aangebracht te worden dat uitgesloten wordt dat een sterke toename van de weerstand optreedt als gevolg van uitdroging of bevriezing van de omringende grond.
Opleverdocumenten
Code
Omschrijving eis/uitgangspunt
3.1.3-49
Meetrapport aardverspreidingsweerstand: Van iedere in het werk aangebrachte aardelektrode dient een rapport met de gemeten aardverspreidingsweerstanden aangeleverd te worden.
3.1.3-50
Rapportage stromen in afgaande groepen. Bij opname van het werk dient van iedere nieuwe of gewijzigde eindgroep de belastingstroom van de nieuwe situatie gemeten te zijn en in een rapportage te worden aangeboden aan de beheerder.
3.1.3-51
Rapportage afschakeltijden. Bij opname van het werk dient van iedere nieuwe of gewijzigde eindgroep de afschakeltijd van het beveiligingstoestel in de nieuwe situatie gemeten te zijn en in een rapportage te worden aangeboden aan de beheerder.
3.1.3-52
Materiaal documentatie. Van alle geleverde materialen moet een volledige technische documentatie bij de opname worden aangeleverd.
Kabelmontage
Code
Omschrijving eis/uitgangspunt
3.1.3-53
Verbindingen en aftakkingen van in de grond gelegde kabels moeten worden gemaakt met kunststofgietmoffen.
3.1.3-54
Verbindingen en aftakkingen van in de grond gelegde kabels moeten worden gemaakt door gekwalificeerde monteurs.
3.1.3-55
De moffen moeten zijn gemaakt conform de aanwijzingen van de leverancier.
3.1.3-56
De gemaakte moffen moeten een garantieperiode hebben van 3 jaar.
3.1.3-57
Bij de montage van een aftakmoffen moet worden voorkomen dat de aardlitze in de voedingskabel wordt onderbroken.
3.1.3-58
Te verlaten aansluitleidingen moeten worden verwijderd op 0,2 meter vanaf de aftakmof van de voedingskabel op een eindmof worden gelegd. Bij aansluitmoffen die demontabel zijn moet er een spuitmof gemonteerd worden. Krimpdoppen zijn niet toegestaan.
3.1.3-59
Bij tijdelijke eindmoffen dient men de aardlitze buiten de mof te houden i.v.m. mogelijke uitbreiding/zoeken locatie
Graven sleuf Algemeen
Code
Omschrijving eis/uitgangspunt
Raakvlakken
3.1.3-60
De grondroerder i.c. opdrachtnemer neemt bij de voorbereiding en uitvoering van graafwerkzaamheden alle voor hem geldende voorschriften uit de laatste versie van de “Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten” (WION) in acht. Naast genoemde wettelijke voorschriften moet de grondroerder zijn werkzaamheden uitvoeren conform de richtlijnen voor een zorgvuldig graafproces genaamd “Graafschade voorkomen aan kabels en leidingen”, uitgegeven door het CROW. De kosten voor het doen van een Klik-online melding en de terugmelding van as-built gegevens zijn voor rekening van de opdrachtnemer. De opdrachtnemer zal het te volgen tracé in overleg met de beheerder uitzetten en na zijn goedkeuring ontgraven.
Kabels en leidingen
3.1.3-61
Kabels moeten volgens de “Voorwaarden voor het leggen van kabels en leidingen profiel van de gemeente Den Helder” gelegd worden.
3.1.3-62
Kabels moeten gelegd worden volgens de normen ontleend aan de “Leidraad voor gemeenten en nutsbedrijven inzake (her-) straatwerkzaamheden” (een uitgave van het overlegorgaan nutsbedrijven en de VNG) of het “Helders Profiel” naar oordeel van de beheerder.
3.1.3-63
Toegangen naar woningen en bedrijven dienen altijd toegankelijk te blijven.
3.1.3-64
Verlaten kabels dienen verwijderd te worden. In uitzonderlijke gevallen, in overleg met de beheerder van de Openbare Verlichting, kan hiervan afgeweken worden.
Mantelbuizen
Code
Omschrijving eis/uitgangspunt
3.1.3-65
Mantelbuizen moeten volgens de “Voorwaarden voor het leggen van kabels en leidingen profiel van de gemeente Den Helder” gelegd worden.
3.1.3-66
De lengte van de mantelbuizen moet zodanig zijn dat deze aan weerszijde, bij elementverharding 0,5 meter en bij asfaltverharding 1.00m, buiten de verharding steekt.
3.1.3-67
Verlaten mantelbuizen dienen verwijderd te worden. In uitzonderlijke gevallen, in overleg met de beheerder van de Openbare Verlichting, kan hiervan afgeweken worden.
3.1.3-68
Alle nieuw aangebrachte of verlaten mantelbuizen moeten aan de einden worden afgedicht met de daarvoor aangewezen middelen.
3.1.3-69
De PVC mantelbuizen moeten een buitendiameter hebben van minimaal 40 mm voor een aansluitkabel en 110 mm voor een voedingskabel. De kwaliteit van de buizen dient conform DIN 8061 en DIN 8062 en ISO-R161-1960 te zijn, Stijfheidsklasse SN 8 Ultra-3. De kleur dient grijs te zijn.
3.1.3-70
Loze mantelbuizen dienen d.m.v. afsluitdop aan beide kanten te worden afgesloten en er dient een trekkoord in aangebracht te worden.
Gestuurde boringen
Code
Omschrijving eis/uitgangspunt
3.1.3-71
De gestuurde boringen dienen te allen tijde om een mantelbuis in de grond aan te brengen waarin de kabels worden aangebracht. De mantelbuizen moeten zijn berekend op de zwaarst mogelijke voertuigen die ter plaatse kunnen komen met in achtneming van de te verwachten gronddruk.
3.1.3-72
Gestuurde boringen moeten worden toegepast indien het kabeltracé een kruising maakt met gefundeerde en/of gesloten verhardingen, boomwortels van beschermde boomlocaties en bij kruising van waterwegen.
3.1.3-73
De HDPE buis moet een diameter hebben van 110mm. De kwaliteit van de buizen dient conform de DIN 8074 en DIN 16874 te zijn.
3.1.3-74
De minimale gronddekking gemeten vanaf de onderzijde van de wegfundatie tot de bovenzijde van het boorgat bedraagt minimaal 1,5 meter. Indien geen gegevens van de dikte van de fundering laag bekend zijn mag worden aangenomen dat deze 0,5 meter dik is.
3.1.3-75
Voorafgaande aan de uitvoering van de boring dient door de opdrachtnemer een KLIC-aanvraag plaats te vinden (WION).
3.1.3-76
De uitkomende grond/slurry dient te worden afgevoerd volgens de daartoe behorende regels/normen.
3.1.3-77
Bij het kruisen van vaarwegen zijn meestal meerdere partijen betrokken. Indien een waterkruising noodzakelijk is zal de opdrachtgever alle betrokken instanties benaderen en informatie inwinnen met betrekking tot de diverse verantwoordelijkheden. De eisen m.b.t. het aanlegniveau, in- en uittredepunten, afstandseisen, boordrukspoeling en grondonderzoek zullen worden vastgesteld en aan de opdrachtnemer ter beschikking gesteld. Gestuurde boringen onder waterwegen mogen slechts op aangeven en met goedkeuring van de beheerder worden uitgevoerd.
Wegpersing
Code
Omschrijving eis/uitgangspunt
Raakvlakken
3.1.3-78
Wegpersingen mogen slechts toegepast worden na overleg en met goedkeuring van de beheerder.
Wegen
Aanvullen, verdichten en verharding herstellen
Code
Omschrijving eis/uitgangspunt
Raakvlakken
3.1.3-79
De grond waarmee de sleuven worden gedicht, moet vrij zijn van materialen die ondergrondse voorzieningen kunnen beschadigen.
3.1.3-80
De ontgravingen dienen aangevuld en verdicht te worden zoals vermeld in “Voorwaarden voor het leggen van kabels en leidingen profiel van de gemeente Den Helder”.
3.1.3-81
Met puin verontreinigde grond moet op kosten van de aannemer worden afgevoerd naar een regionale stortplaats.
3.1.3-82
Schade aan ondergrondse nutsvoorzieningen en aan boomwortels moet worden voorkomen. Voor alle schade die tijdens of als gevolg van de werkzaamheden worden veroorzaakt, wordt de aannemer aansprakelijk gesteld.
Groen
3.1.3-83
Aan het einde van iedere werkdag moeten de ontgravingen zodanig dichtgemaakt zijn dat dit geen gevaar op kan leveren.
3.1.3-84
Losliggende materialen dienen aan het einde van iedere werkdag opgeruimd te zijn.
3.1.3.85
Het Bouwstoffenbesluit moet bij het roeren van de grond nageleefd worden.
Hoofdstuk 4 › Paragraaf 4.1.5.1
Artikel 4.3.1.3