Naar hoofdinhoud
Code Omschrijving eis/uitgangspunt Toelichting / verwijzing 4.4.5.2-1 In het vrijverval riool moet bij ieder beginpunt, knikpunt, diameter verandering en hoogte verschil een inspectieput geplaatst worden. 4.4.5.2-2 Inspectieputten moeten zijn voorzien van een stroomprofiel om vuilafzetting te voorkomen. 4.4.5.2-3 De afstand tussen de inspectieputten in het stelsel bedraagt max. 75 meter. 4.4.5.2-4 Indien bij de laatste HWA/DT inspectieput de uitgaande leiding hoger ligt dan de inkomende dan dient de inspectieput te worden voorzien van een zandvang van minimaal 0,50 m. Eventuele zand- en vuilfracties worden opgevangen in de zandvang en leiden niet tot verstopping van de leiding. 4.4.5.2-5 Indien een zinkerconstructie in het HWA/DT riool wordt aangelegd, dan dienen de inspectieputten te worden voorzien van een zandvang van minimaal 0,50 m. Eventuele zand- en vuilfracties worden opgevangen in de zandvang en leiden niet tot verstopping van de leiding. 4.4.5.2-6 In het ontwerp moet rekening gehouden worden dat bij grote leidingdiameters, inspectieputten met een grotere inwendige diameter moeten worden toegepast. 4.4.5.2-7 De onderlinge afstand tussen te plaatsen inspectieputten (bv VW-HW) bedraagt minimaal 0,50 m. Door voldoende afstand te houden kan er tussen de putten worden verdicht. 4.4.5.2-8 Nieuwe aansluitingen op bestaande betonnen putten dienen te worden ingeboord en voorzien te worden van rubberconnectors (http://www.betonputten.nl/Rubberconnectors). 4.4.5.2-9 Putnummers worden door de gemeente verstrekt. Deze moeten worden verwerkt op besteks-ontwerptekening. 4.4.5.2-10 Inspectieputten dienen altijd toegankelijk zijn voor camera-inspecties. Dus niet in parkeervakken of in een bosschage projecteren. 4.4.5.2-11 Voor het op hoogte brengen van de putrand bij doorkeur betonnen stelringen gebruiken, maximale dikte 0,10 m en voor de bovenste ring maximaal 0,05 m. Het metselwerk geheel berapen en vertinnen

Rechtspraak bij dit artikel