Jeugdigen en/of ouder(s) komen slechts in aanmerking voor een individuele voorziening wanneer het college of een andere verwijzer vaststelt dat:
sprake is van concrete opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en/of stoornissen bij de jeugdige; en,
inzet noodzakelijk is om de jeugdige gelet op deze problemen in staat te stellen:
gezond en veilig op te groeien;
te groeien naar zelfstandigheid;
voldoende redzaam te zijn en maatschappelijk te participeren; en,
de jeugdige en/of ouder(s) zelf of met hun sociale netwerk geen passende oplossing voor de hulpvraag kunnen vinden (eigen kracht). Wanneer hiervan sprake is, staat in artikel 15 van deze verordening; en,
een algemene voorziening en/of mogelijkheden vanuit de sociale basis geen oplossing biedt voor de hulpvraag; en,
de jeugdige en/of ouder(s) geen aanspraak kunnen maken op een andere voorziening om de hulpvraag op te lossen.
Een algemene of andere voorziening kan de noodzaak verminderen of wegnemen als deze:
daadwerkelijk beschikbaar is; en,
passend en toereikend is voor de hulpvraag.
Als een individuele voorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst adequate en tijdig beschikbare voorziening.
Een individuele voorziening voor jeugdhulp wordt toegekend als de inzet van de voorziening doeltreffend geacht kan worden. De doeltreffendheid beoordeelt het college door vast te stellen of de individuele voorziening wezenlijk bijdraagt aan het oplossen van de hulpvraag en waar beschikbaar en passend er wordt gewerkt met een bewezen effectieve interventie.
5 Er is sprake van bewezen effectieve voorzieningen als de effectiviteit is vastgesteld in wetenschappelijk onderzoek en de interventie(s) zijn opgenomen als ‘erkend’ in:
de Databank Effectieve Jeugdinterventies van het Nederlands Jeugdinstituut;
de zorgstandaarden van de GGZ Standaarden;
de databank voor interventies gericht op jeugdigen met een beperking (databank interventies gehandicaptenzorg).
In situaties waarin de ouder(s) begeleiding, behandeling of ondersteuning nodig hebben ten gevolge van maatschappelijke of eigen psychische of relationele problemen en er naar het oordeel van het college geen sprake is van een hulpvraag in het kader van de Jeugdwet, komt een jeugdige en/of ouder(s) niet in aanmerking voor een door het college te verlenen individuele voorziening.
Het voorgaande lid is niet van toepassing als er parallel aan een hulpvraag sprake is van meervoudige problematiek in de context van het gezin.
Het college kent geen voorziening toe als het gaat om kosten die gemaakt zijn vóór de aanvraag. Gaat het om hulp die na de aanvraag en vóór de datum van het besluit is ingezet, dan verstrekt het college hier enkel een voorziening voor als het daarvoor schriftelijk toestemming heeft gegeven of de noodzaak en passendheid van de voorziening en de gemaakte kosten achteraf nog kan beoordelen.
Het college kan nadere regels vaststellen ter verdere uitwerking van de algemene criteria, zoals genoemd in dit artikel en/of ter bepaling van specifieke criteria voor bepaalde individuele voorzieningen.
Hoofdstuk 2.
Artikel 14.
Criteria voor individuele voorziening
Onderdeel van Integrale verordening jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning gemeente Vlissingen 2026