In samenhang met de voorwaarden uit artikel 4.1 weigert het college een aanvraag voor een maatwerkvoorziening in de volgende gevallen.
De geschikte maatwerkvoorziening die niet de goedkoopste voorziening is, wordt niet verstrekt.
De maatwerkvoorziening wordt alleen verstrekt als deze gezien de beperkingen van de inwoner, veilig voor hemzelf en zijn omgeving is, geen gezondheidsrisico’s met zich meebrengt en niet anti-revaliderend werkt.
Het college verstrekt geen maatwerkvoorziening:
als uit het onderzoek is gebleken dat de beperkingen van de inwoner met eigen kracht, gebruikelijke hulp, mantelzorg, hulp van andere personen uit het sociale netwerk, algemeen gebruikelijke voorzieningen, algemene voorzieningen of andere voorzieningen kunnen worden gecompenseerd,
als voor de problematiek die aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat,
als de inwoner de gevraagde voorziening voor de melding heeft gerealiseerd of geaccepteerd,
als de inwoner de gevraagde voorziening na de melding maar voor datum van besluit heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij het college daarvoor schriftelijk toestemming heeft gegeven en de noodzaak en passendheid van de voorziening en de gemaakte kosten achteraf nog kan beoordelen,
als de gevraagde voorziening al eerder aan de inwoner is verstrekt op grond van enige wettelijke bepaling en de normale afschrijvingstermijn van die voorziening nog niet verstreken is, tenzij de voorziening verloren is gegaan door omstandigheden die niet aan de inwoner zijn toe te rekenen of de inwoner de restwaarde van de voorziening die verloren is gegaan geheel of gedeeltelijk vergoedt,
als deze niet in overwegende mate op de inwoner is gericht, of
als de voorziening niet noodzakelijk was geweest wanneer de inwoner rekening had gehouden met bestaande en bekende beperkingen en de te verwachten ontwikkelingen daarvan.
Het college verstrekt geen maatwerkvoorziening gericht op zelfredzaamheid en participatie als deze niet langdurig noodzakelijk is.
Het college verstrekt geen woonvoorziening:
als de beperkingen voortkomen uit de aard van de in de woning gebruikte materialen, de slechte staat van het onderhoud of de omstandigheid dat de woning niet voldoet aan de geldende wettelijke eisen,
als de inwoner zijn hoofdverblijf niet heeft of niet zal hebben in de woning waaraan de voorziening wordt getroffen,
ten behoeve van woonruimten die niet geschikt zijn voor permanente bewoning,
als het een voorziening in een gemeenschappelijke ruimte betreft, anders dan automatische deuropeners, hellingbanen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders of het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte,
als de noodzaak het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding was op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid of participatie en er geen belangrijke reden voor de verhuizing is,
als de inwoner een doelgroepengebouw bewoont en de aan te brengen voorziening voor die doelgroep algemeen gebruikelijk is,
als de inwoner niet is verhuisd naar de voor zijn beperkingen meest geschikte beschikbare woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is gegeven door het college, of
als de voorziening in het geval van nieuwbouw, reconstructie of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen kan worden.
Hoofdstuk 4
Artikel 4.3
Weigeringsgronden voor maatwerkvoorzieningen
Onderdeel van Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg 2026