Naar hoofdinhoud

Artikel 10

Landelijke toegankelijkheid maatschappelijke opvang

Onderdeel van Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg 2026

1.. Van de inwoner die zich voor opvang meldt, onderzoekt het college wat de woonplaats van de inwoner was toen hij de thuissituatie verliet en waardoor zijn dakloosheid is ontstaan. 2.. Indien het college vaststelt dat de inwoner, voor het ontstaan van dakloosheid, niet woonachtig was in een van de gemeenten van de Regio Hart van Brabant, kan het college de uitvoering van het onderzoek overlaten aan de laatste woongemeente. Het college doet dit pas als met burgemeester en wethouders van de laatste woongemeente overeenstemming is gevonden. 3.. Al dan niet in afwijking van het tweede lid verricht het college zelf het onderzoek: als het college de woonplaats van de inwoner voor het verlaten van de thuissituatie niet vaststelt, als het college de woonplaats van de inwoner voor het verlaten van de thuissituatie niet kan vaststellen, als het college de uitvoering van het onderzoek niet wenst te laten uitvoeren door burgemeester en wethouders van de laatste woongemeente, of als met burgemeester en wethouders van de laatste woongemeente geen overeenstemming als bedoeld in het tweede lid is gevonden. 4.. Als het college het onderzoek zelf uitvoert, kan hij de laatste woongemeente verzoeken om informatie ten behoeve van het onderzoek aan te leveren. 5.. Het college onderzoekt in welke gemeente of regio een traject in de opvang de grootste slagingskans heeft om bij te dragen aan de zelfredzaamheid en participatie van de inwoner. Het college betrekt bij dit onderzoek in elk geval: de wens van de inwoner, of er factoren zijn in een gemeente of regio die de kans van slagen van een traject naar verwachting vergroten, zoals een sociaal netwerk welke een positieve invloed heeft of kan hebben op de zelfredzaamheid en participatie van de inwoner, bestaand werk, dagbesteding, onderwijs, of lopende hulpverleningstrajecten of ondersteuningstrajecten, en of er factoren zijn in een gemeente of regio die de kans van slagen van een traject naar verwachting verkleinen, zoals een sociaal netwerk dat een negatieve invloed heeft of kan hebben op de zelfredzaamheid en participatie van de inwoner, de actuele criminele activiteiten van de inwoner of maatregelen die aan de inwoner opgelegd zijn. 6.. Als tijdens het onderzoek blijkt dat een traject in de opvang mogelijk of waarschijnlijk in een andere gemeente of regio de grootste kans van slagen heeft, dan betrekt het college die andere gemeente of regio bij het onderzoek. 7.. Het onderzoek, als bedoeld in het derde lid, wordt zo snel mogelijk en uiterlijk binnen veertien dagen verricht. Van de eerste volzin wordt afgeweken als dit onmogelijk is en hiervoor een reden is die buiten de invloedssfeer van het college ligt. 8.. De uitkomst van het onderzoek wordt schriftelijk vastgelegd. 9.. Als het college, overeenkomstig het tweede lid, de uitvoering van het onderzoek overgedragen heeft aan de laatste woongemeente, dan vergewist het college zich van de uitkomsten van het onderzoek. 10.. Als het college, op grond van het onderzoek als bedoeld in het vijfde lid, van oordeel is dat de kans van slagen van een traject groter is in een andere gemeente of regio, dan neemt het college, na overleg met de inwoner, contact op met die andere gemeente of regio. Als de andere gemeente of regio het oordeel van het college deelt, dan vindt de overdracht van de inwonergegevens en de inwoner onverwijld plaats. Van een onverwijlde overdracht wordt, na afstemming met de andere gemeente of regio, afgezien als een latere overdracht bijdraagt aan de kans van slagen van een traject. 11.. Tot aan het moment van de daadwerkelijke overdracht van de inwoner, blijft het college aan de inwoner opvang bieden of andere maatregelen treffen om te voorzien in de behoefte aan opvang. 12.. Het college draagt, na overleg met de inwoner, bij de overdracht alle noodzakelijke informatie betreffende de inwoner, waaronder de uitkomsten van het onderzoek als bedoeld in het achtste lid, over aan de andere gemeente of regio. 13.. Het college maakt met de andere gemeente of regio en de inwoner concrete afspraken over: de datum van overdracht, welke aanbieder de inwoner opvang, dan wel andere ondersteuning die in de behoefte van de inwoner aan opvang voorziet, zal bieden in de andere gemeente of regio, en hoe het vervoer van de inwoner en eventuele reisbegeleiding plaatsvindt. 14.. Als de inwoner weigert medewerking te verlenen aan de in het tiende lid bedoelde overdracht, dan wordt dit gekwalificeerd als het niet nakomen van de verplichting uit artikel 2.3.8, derde lid, van de wet. 15.. Bij verschil van mening tussen het college en de andere gemeente of regio over de vraag welke gemeente of regio verantwoordelijk is voor het bieden van opvang aan de inwoner, spant het college zich maximaal in om tot een oplossing te komen. 16.. Als het college en de andere gemeente of regio niet gezamenlijk tot een oplossing komen, kan het college het geschil voorleggen aan de Geschillencommissie Sociaal Domein: Woonplaatsbeginsel en toegang. 17.. In afwachting van het oordeel van de in het zestiende lid genoemde commissie, blijft het college opvang bieden of andere maatregelen treffen om te voorzien in de behoefte aan opvang. 18.. Het college volgt het oordeel van de in het zestiende lid genoemde commissie.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel