De burgemeester besluit uitsluitend tot de inzet van cameratoezicht op openbare plaatsen indien, gelet op de concrete omstandigheden van het geval, uit een gemotiveerde belangenafweging blijkt dat aan alle vereiste toetsingscriteria is voldaan. Deze beoordeling vindt plaats binnen de kaders van de noodzakelijkheid, proportionaliteit, subsidiariteit, effectiviteit en tijdsgebondenheid, waarbij het uitgangspunt is dat het cameratoezicht uitsluitend wordt toegepast wanneer dit in aanvulling op andere maatregelen het meest aangewezen instrument vormt ter voorkoming dan wel beëindiging van een (dreigende) verstoring van de openbare orde.
De burgemeester stelt in dat kader vast dat sprake is van een zodanige inbreuk op de openbare orde of een reële dreiging daarvan, dat de inzet van cameratoezicht gerechtvaardigd is. Daarbij beoordeelt de burgemeester of de maatregel in redelijke verhouding staat tot de ernst en duur van de te bestrijden problematiek, en of andere, minder ingrijpende alternatieven – zoals extra handhaving of aanpassing van de fysieke leefomgeving – geen toereikend effect (meer) bieden. Daarnaast moet uit de beschikbare informatie volgen dat cameratoezicht, naar verwachting, daadwerkelijk bijdraagt aan de bevordering van de openbare orde binnen het betrokken gebied. De burgemeester beperkt de duur van het toezicht tot hetgeen strikt noodzakelijk wordt geacht, en beëindigt de maatregel zodra het doel waarvoor deze is ingesteld, is bereikt.
Voor deze afweging baseert de burgemeester zich op objectieve, controleerbare gegevens, waaronder informatie afkomstig van de politie en andere relevante instanties. In dat kader betrekt de burgemeester signalen uit de samenleving die duiden op een verslechtering van de openbare orde, herhaalde overlast of een verhoogd veiligheidsrisico binnen een duidelijk afgebakend gebied.
Hoofdstuk
Artikel 8
Het afwegingskader
Onderdeel van Beleidsregel cameratoezicht handhaving openbare orde gemeente Apeldoorn 2025