Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3

Artikel 3.2

- Eigen kracht en gebruikelijke hulp

Onderdeel van Nadere regels jeugdhulp gemeente Tilburg

1.. Het college neemt als uitgangspunt dat ouders over voldoende eigen kracht beschikken wanneer de benodigde inzet voor hun kind kan worden aangemerkt als gebruikelijke hulp. Gebruikelijke hulp gaat over de verzorging, begeleiding en opvoeding van kinderen die zich op een gebruikelijke manier ontwikkelen in verschillende levensfases (kinderen met een normaal ontwikkelingsprofiel). 2.. In de bijlage is weergegeven, welke hulp kinderen die zich normaal ontwikkelen in verschillende leeftijdsfases nodig hebben van hun ouders. Dit overzicht is gebaseerd op de uitgangspunten uit de Beleidsregels indicatiestelling AWBZ 2014 en uitgewerkt in de CIZ indicatiewijzer versie 7.1. Ze vormen het startpunt om te bepalen of er sprake is van gebruikelijke of bovengebruikelijke hulp. 3.. Voor kinderen geldt dat er een bandbreedte is in hoe ze zich kunnen ontwikkelen. Ook tussen kinderen van dezelfde leeftijd zonder behoefte aan jeugdhulp kan de omvang van de verzorging, begeleiding en opvoeding door de tijd heen verschillen. Gebruikelijke hulp bij kinderen kan ook activiteiten omvatten die niet standaard bij alle kinderen voorkomen. 4.. Bij (dreigende) overbelasting of uitval van één van de ouders neemt de andere ouder zo mogelijk de gebruikelijke hulp voor de jeugdige over. Dat kan ook de ouder zijn die ergens anders woont. Van de zorgouder die werkt wordt verwacht dat die de mogelijkheden van (zorg)verlof benut, in combinatie met andere voorzieningen van de werkgever of van andere organisaties (kinderopvang, opvang op school, naschoolse opvang e.d.). 5.. Het college onderzoekt op basis van signalen van de jeugdige of de ouders of er sprake is van (dreigende) overbelasting of aantoonbare belemmeringen voor het verlenen van hulp bij de ouders. Het college betrekt daarbij de draagkracht en draaglast van de ouders, de jeugdige en het gezin. Als de ouder beperkingen in de belastbaarheid aanvoert vanwege medische klachten, dan wordt dit beoordeeld door of onder verantwoordelijkheid van een arts. 6.. Voor bovengebruikelijke hulp in kortdurende situaties geldt dezelfde benadering als bij gebruikelijke hulp. In beginsel wordt daarvoor geen jeugdhulp ingezet. Onder kortdurende situaties wordt verstaan: op afzienbare termijn is er uitzicht op herstel van het (gezondheids)probleem en de daarmee samenhangende zelfredzaamheid van de jeugdige. Uitgangspunt is dat het om een aaneengesloten eenmalige periode van maximaal drie maanden in één kalenderjaar gaat. Binnen die termijn moet er perspectief op herstel zijn, zodat de ouder de zorg voor het kind weer op zich kan nemen, eventueel met behulp van het sociale netwerk en andere voorzieningen. 7.. Bij langdurige bovengebruikelijke hulp gaat het om situaties waarbij (nog) geen uitzicht is op herstel. Daaronder vallen ook chronische situaties waarbij naar verwachting de jeugdhulp langer dan drie maanden nodig is of voor meerdere periodes van drie maanden in één kalenderjaar. Ook dan geldt dat de ouders deze hulp bieden, tenzij de balans tussen draagkracht en draaglast zo verstoord is dat dat niet van de ouders kan worden gevergd. Dat kan bijvoorbeeld zo zijn, als zij niet in staat en beschikbaar (kunnen) zijn om die hulp te geven, door overbelasting, aantoonbare belemmeringen of als er door het bieden van hulp problemen ontstaan om te kunnen voorzien in voldoende inkomen, en er geen andere oplossingen mogelijk zijn.

Rechtspraak bij dit artikel