**1..** Als een jongere tot 21 jaar redelijkerwijs niet kan beschikken over onderhoudsbijdragen van zijn ouders, wordt een aanvullende norm gehanteerd die in beginsel overeenkomt met het bestaansminimum rekening houdend met het gestelde in artikel 20 Participatiewet.
**2..** Het college kan op grond van artikel 18 lid 1 Participatiewet van deze norm afwijken rekening houdend met het volgende:
Het totaalbedrag van de algemene bijstand en de aanvulling mag niet hoger zijn dan de bijstandsnorm voor een persoon van 21 jaar of ouder in een vergelijkbare situatie. Het kan gaan om een alleenwonende of een kostendeler (artikelen 21 en 22a Pw);
Het totaalbedrag mag niet hoger zijn dan het voor de jongere geldende wettelijk minimumjeugdloon.
Het bedrag kan bij noodzakelijke hogere kosten of bij duidelijk lagere kosten voor levensonderhoud worden afgestemd op de situatie van de jongere, waarbij de woonsituatie van de jongere bepalend is.
Toelichting op de beleidsregels
Artikel 6.1 Kostendelersnorm commerciële huurprijs
Een commerciële prijs moet in verhouding staat tot het geleverde en is in het commerciële verkeer gebruikelijk. Belanghebbende moet aan de hand van schriftelijke stukken aantonen dat sprake is van een overeenkomst en een commerciële prijs. Bovendien moet betrokkene betalingsbewijzen kunnen overleggen. De commerciële prijs en de zakelijke relatie kan worden getoetst aan de hand van schriftelijke bewijsstukken en de vergelijking van commerciële huurprijzen.
Bij de beoordeling of een huurovereenkomst of de relatie tussen verhuurder en medebewoner gezien kan worden als commercieel, kijkt de CRvB onder meer naar het volgende:
staat de hoogte van de huur in relatie tot het woonoppervlak;
zijn zowel de huurprijs als ook de indexatie marktconform;
vindt de huurbetaling plaats volgens het contract, dito inning achterstand;
had eigenaar/verhuurder geen invloed of betrokkenheid op de verdeling van de huur/betaling daarvan;
zijn er omstandigheden die doen vermoeden dat er geen sprake is van een zuiver commerciële relatie, zoals
ingang medebewoning veel eerder dan huurcontract
praktisch gebruik woning/voorwerpen in woning veel ruimer dan in contract vermeld
overige diensten/verzorging gaan verder dan bij puur commerciële relatie.
De commerciële huurprijs moet in verhouding staan tot het geleverde. Een instrument om dit objectief te meten is de huurprijscheck zoals deze door de huurcommissie wordt aangeboden. Hierin kan door het invullen van een aantal velden vrij snel een realistische huurprijs worden berekend.
https://checkjeprijs.huurcommissie.nl/onderwerpen/huurprijs-en-punten/nieuwe-huurprijscheck/huurprijscheck-onzelfstandige-woonruimte
Om te bepalen wat de afgesproken commerciële huurprijs is als er sprake is van een all-in huur, kan aansluiting worden gevonden bij de methodiek van de huurcommissie; minimaal 55% is kale huur en minimaal 25% is servicekosten/nutsvoorzieningen. Hier kan dan de berekende prijs van hierboven tegen worden afgezet. Volgens de jurisprudentie is een toelaatbare werkwijze.
https://www.huurcommissie.nl/huurders/sociale-huurwoning/huurprijs-splitsen
Om een goede afweging te kunnen maken moet de schriftelijke overeenkomst als bedoeld in artikel 22a, lid 4 en 5 Participatiewet de volgende onderdelen bevatten:
naam-, adres- en woonplaatsgegevens van beide partijen;
aanduiding van de ruimte;
de ingangsdatum;
het overeengekomen bedrag;
de wijze van betaling;
de looptijd van de overeenkomst;
jaarlijkse indexering, huurverhoging.
Onverminderd de onderdelen van de overeenkomst hierboven genoemd geldt in geval van kostgangers aanvullend:
dat in de overeenkomst dient te zijn opgenomen welke diensten in de overeenkomst zijn begrepen;
dat in de overeenkomst dient te zijn opgenomen welke ruimten de kostganger mag gebruiken.
Inkomsten uit commerciële verhuur, onderverhuur of een kostganger worden op basis van artikel 33 lid 4 Participatiewet in mindering gebracht op de bijstandsnorm.
Artikel 6.2 Kostendelersnorm tijdelijke opvang
Er kan een situatie ontstaan dat een belanghebbende met een uitkering tijdelijk onderdak biedt aan een persoon in crisissituatie in dat geval heeft dat geen invloed op de lopende bijstandsuitkering gedurende een vastgestelde periode. Er dient te worden vast gesteld dat het gaat om tijdelijk verblijf in verband met een crisis. Daarnaast kunnen er individuele situaties zijn, waarin het wenselijk is om individueel maatwerk te verlenen met betrekking tot de hoogte van de uitkering. Op grond van artikel 18, lid 1, Participatiewet kan de bijstandsuitkering worden afgestemd. In artikel 2.23 BRP is opgenomen dat wanneer is vastgesteld dat een belanghebbende dak- of thuisloos is, de belanghebbende een gemeentelijk briefadres verkrijgt. De belanghebbende met een gemeentelijk briefadres (i.v.m. dak- of thuisloosheid) heeft zijn feitelijk verblijfplaats in de gemeente. Als getwijfeld wordt of belanghebbende binnen de gemeente verblijft, kan belanghebbende worden gevraagd of hij controleerbare gegevens aanlevert over zijn feitelijke verblijfsituatie (slaap en/of verblijfplaatsen). Belanghebbende dient voldoende bereikbaar te zijn en dient zijn post eens per twee weken op te halen bij het gemeentelijk briefadres. Als belanghebbende nalaat zijn post op te halen kan dit een signaal zijn of belanghebbende wel feitelijk in de gemeente verblijft. Op grond van artikel 17 Participatiewet wordt belanghebbende dan gevraagd om aan te geven waar hij feitelijk verblijft. Voldoet hij daar niet aan, dan volgt een hersteltermijn en eventueel beëindiging van de bijstandsuitkering. Reden daarvoor is dat niet kan worden vastgesteld of belanghebbende feitelijk in de gemeente verblijft. Hierdoor kan het recht niet worden vastgesteld.
Artikel 6.3 Ontbreken woonlasten
Als belanghebbende lage of geen woonlasten heeft wordt de bijstandsnorm verlaagd. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 Participatiewet kan de norm lager worden vastgesteld als er sprake is van lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan als gevolg van de woonsituatie. Hiervan is bijvoorbeeld sprake als de vertrokken partner bij een scheiding de woonlasten doorbetaalt, de hypotheek volledig is afgelost, anti-kraak wordt gewoond of als belanghebbende in een woning woont waarvoor geen huur of energiekosten hoeven worden betaald, dit komt bijvoorbeeld voor bij tijdelijk wonen in een noodwoning. Wat onder woonlasten wordt verstaan volgt uit de wetgeving en jurisprudentie. Onder woonlasten wordt verstaan de huur. Bij een eigen woning bestaan de woonlasten uit:
de hypotheekrente;
de aan het eigendom verbonden zakelijke lasten;
een bedrag voor het onderhoud van de woning.
Een vergoeding die anti-krakers moeten betalen voor het recht van bewoning, valt op basis van deze omschrijving niet onder de woonlasten. Dat betekent dat iemand die anti-kraak woont, formeel geen woonlasten heeft. Naar aard en karakter komen anti-kraakvergoedingen echter wel met woonlasten overeen. Een gemeente kan ervoor kiezen om ter invulling van artikel 27 Participatiewet beleid te formuleren. Een toercaravan kan onder voorwaarden worden beschouwd als een woning. Omdat enkele elementaire voorzieningen zoals water, elektriciteit, toilet en douche van elders moeten komen, kan een toercaravan niet worden beschouwd als een zelfstandige woning. Een gemeente kan beleid formuleren voor het geval er sprake is van lagere algemene kosten van bestaan dan waarin de norm voorziet. Iemand die geen gebruik maakt van een woning is adresloos of thuisloos. Thuisloos is daarnaast degene die wel regelmatig op een adres overnacht, maar die geen vaste woon- of verblijfplaats heeft. Het feitelijk verblijf adres is niet gelijk aan de vermelding in de basisregistratie personen (BRP). In beide gevallen heeft iemand geen woonkosten, mogelijk wel kosten voor de nachtopvang. De norm kan in die gevallen verlaagd worden. De uitkering wordt niet verlaagd als de kostendelersnorm van toepassing is. Deze norm is al lager omdat de woonkosten gedeeld kunnen worden. In de situatie dat er sprake is van een postadres (bijvoorbeeld op het adres van de gemeente), vindt er ook een verlaging plaats van de geldende norm, tenzij er aantoonbaar sprake is van woon-lasten (bijvoorbeeld belanghebbende verblijft in een caravan en is stageld en/of overige kosten verschuldigd).
Algemeen verblijf in inrichting
Indien belanghebbende door omstandigheden moet worden opgenomen in een inrichting, zoals bedoeld in artikel 1 Participatiewet, heeft dit invloed op de te ontvangen bijstandsnorm. In de artikelen 6.4 tot en met 6.7 wordt beschreven hoe met de verschillende situaties dient te worden omgegaan.
Artikel 6.4 Permanent verblijf in een inrichting
Als belanghebbende die permanent in een inrichting verblijft is gehuwd is artikel 23, lid 3, Participatiewet van toepassing van het bepalen van de norm. Als blijkt dat de norm inrichting onvoldoende is vanwege (hoge) woonkosten van de inrichting kan, afhankelijk van de omstandigheden, de norm op grond van artikel 18 Participatiewet verhoogd worden met de verschuldigde woonkosten.
Artikel 6.5 Tijdelijke opname in een inrichting
In de meeste gevallen is het bij aanvang niet duidelijk hoelang de opname van belanghebbende in de inrichting zal duren. In dit artikel worden daarom handvaten gegeven om met deze situatie om te gaan.
Bij een tijdelijke opname in een inrichting dient namelijk voorkomen te worden dat binnen korte tijd de norm tweemaal moet worden aangepast. Daarnaast dient de belanghebbende in de gelegenheid te worden gesteld om zijn betalingsverplichtingen/uitgavenpatroon af te stemmen op de gewijzigde situatie. De termijn van drie maanden start vanaf de dag van opname in een inrichting.
In de derde maand wordt in samenspraak met belanghebbende en de inrichting beoordeelt of het realistisch is dat belanghebbende binnen drie maanden (feitelijk zes maanden na de start van de opname) zal terugkeren naar zijn eigen woonadres. In ieder geval wordt na 6 maanden de uitkering beëindigd als op dat moment niet duidelijk is in hoeverre belanghebbende zal terugkeren. Maatwerk blijft echter altijd het uitgangspunt mocht dit tot onevenredige gevolgen voor belanghebbende leiden (hardheidsclausule). Is er geen sprake is van woonlasten is de termijn van drie/zes maanden niet nodig. De norm kan dan direct worden aangepast naar norm verblijf in inrichting. Als belanghebbende gehuwd is, is artikel 23, lid 3, Participatiewet van toepassing. Als belanghebbende terugkeert naar zijn eigen woonadres wordt de norm aangepast vanaf de dag na de dag van terugkeer naar het eigen woonadres.
Artikel 6.6 Gedeeltelijke opname in een inrichting
Bij het vaststellen van de norm is bepalend hoeveel dagen per week belanghebbende in de inrichting en op zijn woonadres is. Op basis daarvan wordt de rato bepaald. Bijvoorbeeld bij weekendverlof:
2/7 van de volledige norm;
5/7 van de norm inrichting.
Door deze aanpassing van de norm, kan de situatie ontstaan dat de alleenstaande belanghebbende onvoldoende middelen van bestaan heeft voor het (noodzakelijk) aanhouden van de woning en kan hij in aanmerking komen voor bijzondere bijstand. Deze bijzondere bijstand is niet hoger dan de norm zoals deze geldt onder normale omstandigheden. Het betreft de volgende vaste kosten:
huur woning minus huurtoeslag;
vastrecht voor energie en water.
De bijzondere bijstand wordt in beginsel voor een periode van zes maanden verstrekt. Verstrekking na zes maanden is alleen mogelijk als er een reëel uitzicht bestaat op een spoedige terugkeer naar het eigen woonadres. Als belanghebbende terugkeert naar zijn eigen woonadres wordt de norm aangepast vanaf de dag na de dag van terugkeer naar het eigen woonadres.
Artikel 6.7 Gedwongen opname in een inrichting
De artikelen 6.4 tot en met 6.7 van dit hoofdstuk zijn van overeenkomstige toepassing als er sprake is van een gedwongen opname van belanghebbende naar aanleiding van de Wet verplichte ggz.
Artikel 6.8 Geharmoniseerde aanvullende jongerennorm
De geharmoniseerde aanvullende jongerennorm zorgt ervoor dat jongeren in vergelijkbare situaties in alle gemeenten dezelfde hoogte van bijstand ontvangen, mits zij niet kunnen rekenen op steun van hun ouders voortvloeiend uit artikel 3:395a van het Burgerlijk wetboek. Dit voorkomt dat jongeren in het ene deel van het land beter of slechter worden ondersteund dan in het andere. Het college behoudt de mogelijkheid om bijzondere bijstand te verstrekken als de omstandigheden dat vragen.
Het niet kunnen voldoen aan de onderhoudsplicht, zoals neergelegd in artikel 3:395a BW wordt in ieder geval aangenomen als:
de jongere gedurende een periode langer dan 12 maanden voorafgaande aan de aanvraag niet in gezinsverband met zijn ouders heeft gewoond;
de jongere met een partner en/of kind een gezin vormt;
er sprake is van een ernstig verstoorde relatie tussen de jongere en zijn ouders;
beide ouders zijn overleden of in het buitenland wonen;
één van de ouders is overleden en de andere ouder in het buitenland woont.
Als er sprake is dat jongere wel zijn ouders kan aanspreken op hun onderhoudsplicht, kan dit een grond zijn om een lagere norm vast te stellen. Eén en ander dient wel goed gemotiveerd te worden mede gezien de kwetsbare positie van belanghebbende.
Jongeren die in aanmerking komen voor een verhoging van de jongerennorm, krijgen op grond van het nieuwe lid 3 bij artikel 20 een vast bedrag. De gemeente houdt ruimte om van dit bedrag af te wijken als dat nodig is, maar moet daarbij rekening houden met het volgende:
Het totaalbedrag van de algemene bijstand en de aanvulling mag niet hoger zijn dan de bijstandsnorm voor een persoon van 21 jaar of ouder in een vergelijkbare situatie. Het kan gaan om een alleenwonende of een kostendeler (artikelen 21 en 22a Pw);
Het totaalbedrag mag niet hoger zijn dan het voor de jongere geldende wettelijk minimumjeugdloon. Een hoger bedrag neemt de prikkel om in loondienst te gaan werken weg. Dit is niet wenselijk;
Het bedrag kan bij noodzakelijke hogere kosten of bij duidelijk lagere kosten voor levensonderhoud worden afgestemd op de situatie van de jongere. Dit blijft mogelijk op grond van artikel 18, eerste lid van de Participatiewet. De woonsituatie van de jongere kan hierbij bepalend zijn. Bij (tijdelijke) hoge woonkosten kan de aanvulling hoger en tot een toereikend niveau worden vastgesteld, bij lage woonkosten (zoals bij anti-kraak wonen of inwonend bij een familielid) kan de aanvulling lager worden vastgesteld.
Vult het college aan met een hoger bedrag dan de aanvulling uit artikel 20 lid 3? Dan is het belangrijk om dit bedrag goed te motiveren in de beschikking.
Als een jongere tot 21 jaar in een inrichting verblijft is er op basis van artikel 13 lid 2 onder a. van de Participatiewet geen recht op de aanvullende jongerennorm, maar kan hij mogelijk wel in aanmerking komen voor bijzondere bijstand.
Hoofdstuk 6
Artikel 6.8
Geharmoniseerde aanvullende jongerennorm
Onderdeel van Beleidsregels Participatiewet, IOAW en IOAZ Voorne aan Zee 2026