**1..** De volgende kostensoorten worden aangemerkt als algemeen gebruikelijke kosten waarvoor in geen bijzondere bijstand wordt verleend:
legeskosten en kosten in verband met het verlenen en verlengen van een vergunning tot verblijf in Nederland en naturalisatie;
premiekosten voor een aanvullende ziektekostenverzekering (niet zijnde de gemeentelijke bijdrage aan de collectieve aanvullende ziektekostenverzekering);
premiekosten voor overige afgesloten algemeen gebruikelijke verzekeringen;
niet-medische kosten in verband met of voortvloeiend uit zwangerschap en geboorte van een kind;
gemeentelijke belastingen of heffingen;
leges identiteitsbewijs.
Toelichting op de beleidsregels
Artikel 2.1 Aanvraag
Een aanvraag wordt bij voorkeur digitaal ingediend. Belanghebbende kan gevraagd worden bij een eerste gesprek met een klantmanager zich met een document als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1° tot en met 3°, Wet op de identificatieplicht te identificeren. Een aanvraag voor ontstane kosten wordt niet in behandeling genomen als de aanvraagdatum een halfjaar plus één dag of meer later is dan de datum op de originele factuur. In beginsel komen kosten die al betaald zijn, niet meer voor bijzondere bijstand in aanmerking. Als het voor de belanghebbende onvermijdelijk was om deze kosten te betalen voordat de aanvraag is ingediend, kan hier gemotiveerd van afgeweken worden en kunnen de kosten alsnog door middel van bijzondere bijstand vergoed worden. Op grond van de Participatiewet mogen alle benodigde en toegankelijke gegevens met betrekking tot de belanghebbende en zijn (financiële) situatie worden verzameld om te beoordelen of er recht is op bijzondere bijstand.
Welke documenten bij de aanvraag moeten worden ingediend is opgenomen in de “checklist bewijsstukken”. Op terugvordering van bijzondere bijstand zijn de geldende beleidsregels over terugvordering en verhaal van toepassing.
Artikel 2.2 Inlichtingen- en medewerkingsverplichting
De termijn van 5 werkdagen is in lijn met artikel 3.1 Beleidsregels Participatiewet IOAW en IOAZ Voorne aan Zee 2026.
Artikel 2.3 Beoordelingskader
Er is geen recht op (bijzondere) bijstand als een belanghebbende een beroep kan doen op een passende en toereikende voorliggende voorziening (artikel 15, lid 1, Participatiewet). Het college zal daarom bij iedere aanvraag bijzondere bijstand moeten beoordelen of sprake is van een voorliggende voorziening. Als er een beroep op een voorliggende voorziening kan worden gedaan is er dus geen recht op (bijzondere) bijstand.
Het vooraf aanvragen van de bijzondere bijstand is noodzakelijk. Dit wil zeggen dat belanghebbende eerst een aanvraag moet indienen en pas daarna kan het gewenste kopen of aanschaffen. De noodzaak kan namelijk niet meer worden vastgesteld als belanghebbende bijvoorbeeld het oude toestel, apparaat en meubelstuk al heeft weggegooid en een nieuwe heeft gekocht. Om die reden zal de aanvraag in de regel dan worden afgewezen.
Artikel 2.4 Draagkracht algemeen
Bij het bepalen van de draagkracht gaat het college uit van de inkomsten en het vermogen waarover de belanghebbende beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. In beginsel wordt slechts éénmaal per draagkrachtjaar een draagkrachtberekening uitgevoerd. De draagkracht wordt telkens voor een periode van één jaar vastgesteld. De periode van een jaar start op de toekenningsdatum. Op het moment dat gedurende het draagkrachtjaar een nieuwe aanvraag minimaregeling of bijzondere bijstand wordt ingediend wordt er geen nieuwe draagkrachtberekening gemaakt, maar wordt er gebruik gemaakt van de al aanwezige draagkrachtberekening. Er kan echter aanleiding zijn om de vastgestelde draagkracht aan te passen als er zich wijzigingen voordoen in het inkomen of vermogen die een hogere of lagere draagkracht tot gevolg zouden kunnen hebben. Ook een wijziging in de gezinsomstandigheden, zoals huwelijk, echtscheiding of overlijden, kan aanleiding zijn voor een aanpassing.
Artikel 2.5 Draagkracht inkomen
Bij de beoordeling van het inkomen wordt uitgegaan van het inkomen inclusief vakantietoeslag. De gehanteerde norm is dat inkomen niet meer bedraagt dan 120% van de toepasselijke bijstandsnorm inclusief vakantietoeslag. Uitgangspunt is het periodieke inkomen over de maand direct voorafgaand aan de maand waarin de aanvraag wordt ingediend. Niet tot het inkomen wordt gerekend, het Kindgebonden budget, inkomsten van kinderen – 18 jaar, PGB, toeslagen (huur-, zorg- en kinderopvang), rente over vermogen/spaargeld, teruggave inkomensbelasting of teruggave premie volksverzekering. Wanneer de inkomsten maandelijks wisselen wordt uitgegaan van het gemiddelde inkomen over de afgelopen drie maanden direct voorafgaand aan de maand waarin de aanvraag wordt ingediend. Het (periodieke) inkomen wordt omgerekend naar een netto jaarinkomen inclusief vakantietoeslag. Bij onregelmatig inkomen wordt uitgegaan van het gemiddelde maandinkomen over drie maanden voorafgaand aan de eerste dag van de draagkrachtperiode (de dag van de aanvraag). Bij zelfstandigen wordt uitgegaan van het gemiddelde maandinkomen van het kalenderjaar voorafgaand aan het jaar van de draagkrachtperiode. Dit wordt bepaald op basis van de jaarrekening. De bijzondere bijstand wordt achteraf definitief vastgesteld op basis van de jaarrekening van het jaar waarop de bijzondere bijstand betrekking heeft.
Artikel 2.6 Draagkracht vermogen
Bij het vaststellen van vermogen voor de bijzondere bijstand wordt de Participatiewet gevolgd. Het in aanmerking te nemen vermogen is gelijk aan (de som van) alle netto vermogensbestanddelen waarover redelijkerwijs kan worden beschikken (artikel 34 Participatiewet). Het vermogen mag niet meer zijn dan de in artikel 34 Participatiewet norm. Alles boven de voor belanghebbende toepasselijke norm wordt als draagkracht aangemerkt. Bij de vaststelling van de waarde van de auto wordt in beginsel altijd de koerslijst van Independer gebruikt. In bijzondere gevallen kan eventueel de koerslijst BOVAG/ANWB (inruil bij een autobedrijf) worden geraadpleegd. Hiervoor is het hebben van de kilometerstand en mogelijk bijzondere specificaties van de auto een voorwaarde, deze kunnen eventueel met een hersteltermijn worden opgevraagd dan wel worden gehaald uit de RDW-gegevens in Suwinet. Als de dagwaarde van de auto niet beschikbaar is in deze bronnen vanwege de leeftijd van de auto, is het aankoopbedrag van de auto in beginsel bepalend. Bij auto’s ouder dan 15 jaar kan de waardebepaling buiten beschouwing worden gelaten en wordt het vervoersmiddel – mits er geen sprake is van een oldtimer of ander bijzonder model – als algemeen gebruikelijk aangemerkt en vrijgelaten van de vermogensvaststelling.
De waarde van de motor wordt vastgesteld met behulp de verkoopsite van motoren: www.motoroccasion.nl. Voor het bepalen van de waarde van de brommer/scooter wordt de volgende rekenmethode gehanteerd:
Stap 1: bepaal de cataloguswaarde van het type brommer/scooter via internet of dealer;
Stap 2: Bereken wat 1,5% van de cataloguswaarde is;
Stap 3: bepaal aan de hand van het bouwjaar hoe oud de brommer/scooter in maanden is;
Stap 4: vermenigvuldig het aantal maanden x 1,5 % van de cataloguswaarde = A;
Stap 5: cataloguswaarde brommer/scooter -/- A = waarde die meegenomen wordt in de vermogensvaststelling.
De waarde van een brommer/scooter ouder dan 5 jaar en 6 maanden wordt niet meer meegenomen in de vaststelling van het vermogen. De waarde van caravans, campers, vrachtwagens, tractoren en boten/ jachten dient belanghebbende zelf te worden aangetoond, bijvoorbeeld door middel van de verzekeringswaarde van het betreffende vermogensbestanddeel.
Artikel 2.7 Draagkracht problematische schulden
Dit artikel spreekt voor zich.
Artikel 2.8 Drempelbedrag
Dit artikel spreekt voor zich.
Artikel 2.9 Vormen van bijstand
Zie ook de artikelen en toelichting in Hoofdstuk 5 Duurzame gebruiksgoederen, verhuis- en stofferingskosten van deze beleidsregels
Artikel 2.10 Hoogte bijzondere bijstand en indexering
Met dit artikel wordt geregeld dat de bijzondere bijstand wordt bepaald op de werkelijke kosten, zoals deze op basis van artikel 3 van de beleidsregels moet worden overlegd. Als de hoogte van de kosten niet duidelijk is, kan op basis van de Nibud-prijzengids de bijzondere bijstand worden vastgesteld, waarbij rekening gehouden wordt met specifieke bepalingen in deze beleidsregels, zoals bij duurzame gebruiksgoederen en verhuis- en stofferingskosten. Als gebruikt wordt gemaakt van zogenaamde “inboedelpakketten” wordt in beginsel uitgegaan van 1 volwassene. Als er meer nodig is (bijvoorbeeld voor kinderen), zal dit – bij voorkeur met een huisbezoek – worden beoordeeld.
Artikel 2.11 Uitgesloten kostensoorten
Uit de jurisprudentie volgt dat legeskosten voor een identiteits- of verblijfsdocument behoort tot de incidenteel voorkomende algemene noodzakelijke kosten van het bestaan. Deze kosten komen dan ook niet voor bijzondere bijstand in aanmerking. Voor het overige spreekt het artikel voor zich.