Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 5.

Artikel 12.

Beoordeling eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen

Onderdeel van Verordening Hart voor de Jeugd gemeente Ooststellingwerf 2026

1.. Het college onderzoekt of een jeugdige en/of zijn ouder(s) (deels) in staat zijn om zelf de problemen op te lossen, eventueel met hulp van hun sociale netwerk. Het college zet geen voorziening in als sprake is van eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen. 2.. Tot het sociale netwerk behoren andere personen binnen de kring van familie, vrienden, kennissen en bekenden die van betekenis zijn voor- en bijdragen aan het welzijn en welbevinden van de jeugdige of zijn ouder(s). 3.. Onder probleemoplossend vermogen en eigen mogelijkheden wordt in elk geval verstaan: gebruikelijke hulp van de ouder(s) en/of andere verzorger(s) of opvoeder(s); niet-gebruikelijke hulp van de ouder(s) voor zover deze beschikbaar en in staat is/zijn de noodzakelijke hulp te bieden, dit geen (dreigende) overbelasting oplevert en door het bieden van de boven gebruikelijke hulp geen financiële problemen in het gezin ontstaan; de ondersteuning vanuit het sociale netwerk; het aanspreken van een aanvullende zorgverzekering die is afgesloten. 4.. Gebruikelijke hulp is hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de ouder(s) en/of andere verzorger(s) of opvoeder(s). Bij de beoordeling van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen neemt het college, gelet op het bepaalde in artikelen 82 en 247, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, tot uitgangspunt dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van hun kind(eren) bij ouder(s) zelf ligt en dat de hulp die daarvoor nodig is in beginsel ook door hen geleverd kan worden en daarbij verplicht zijn om verzorging, voeding, begeleiding en toezicht te bieden. Dit geldt ook als er sprake is van ziekte, aandoening, beperking of andere problematiek. Bij uitval van één van de ouders neemt de andere ouder de gebruikelijke hulp over. Dit geldt ook bij gescheiden ouders. Er wordt dan ook rekening gehouden met de gebruikelijke hulp van de ouder waar de jeugdige niet woont. 5.. Om vast te stellen of sprake is van gebruikelijke hulp beoordeelt het college of de benodigde hulp uitgaat boven de hulp die een jeugdige van dezelfde leeftijd zonder ziekte, aandoening, beperking of andere problematiek nodig heeft. Bij beoordeling hiervan wordt aangesloten bij de uitgangspunten voor gebruikelijke zorg uit paragraaf 6.3 van de Indicatiestelling voor de Jeugd-GGZ zoals deze luidden op 21 januari 2013. Het college houdt hierbij rekening met de volgende factoren: de leeftijd van de jeugdige; de mate van zorg bij activiteiten en handelingen, de mate van toezicht en de mate van begeleiding/stimulans die een jeugdige van die leeftijd nodig heeft; de aard en de duur van de hulp en de benodigde ondersteuningsintensiteit van de jeugdige; de mate van planbaarheid van de hulp; de behoeften en mogelijkheden van de jeugdige. 6.. Als er sprake is van gebruikelijke hulp verstrekt het college geen individuele voorziening tot jeugdhulp. Hierop kan (tijdelijk) een uitzondering worden gemaakt als de ouder(s) door (dreigende) overbelasting de gebruikelijke hulp niet kunnen bieden. Er moet dan wel een verband zijn tussen de (dreigende) overbelasting en de hulp aan de jeugdige. 7.. Als de noodzakelijk geboden hulp de gebruikelijke hulp overstijgt is er sprake van niet-gebruikelijke hulp. Niet-gebruikelijke hulp valt onder de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen zo lang ouder(s) zonder problemen in staat en beschikbaar zijn om de niet-gebruikelijke hulp te bieden. 8.. Bij niet-gebruikelijke hulp beoordeelt het college of van ouder(s) verwacht mag worden dat ze deze hulp bieden. Het college maakt hierbij onderscheid tussen kortdurende en langdurige situaties: Kortdurend: er is uitzicht op herstel van het (gezondheids)probleem en de daarmee samenhangende zelfredzaamheid van de jeugdige. Het gaat hierbij over een aaneengesloten éénmalige periode van maximaal drie maanden in één kalenderjaar. Langdurend: het gaat om (een) chronische situatie(s) waarbij naar verwachting de jeugdhulp langer dan drie maanden nodig is of voor meerdere periodes van drie maanden in één kalenderjaar. 9.. Het college verwacht van ouder(s) dat zij in kortdurende situaties de niet-gebruikelijke hulp bieden, tenzij niet-gebruikelijke hulp gelet op de aard van de hulp niet verwacht mag worden van ouder(s) of er sprake is van (dreigende) overbelasting. Er moet dan wel een verband zijn tussen de (dreigende) overbelasting en de hulp aan de jeugdige. 10.. Bij de beoordeling van de niet-gebruikelijke hulp in langdurige situaties houdt het college rekening met de volgende factoren: de aard en de duur van de hulp en de benodigde ondersteuningsintensiteit van de jeugdige; de planbaarheid van de hulp; de samenstelling van het gezin; de woonsituatie; het lichamelijk en geestelijk welzijn van de ouder(s); vaardigheden van de ouder(s) om zelf hulp te bieden; de manier van omgaan van ouder(s) met de problemen van de jeugdige; of er sprake is van problematiek bij de ouder(s), zoals relationele problemen of schulden; welke verplichtingen de ouder(s) hebben, bijvoorbeeld sociale verplichtingen of werk; het belang van ouder(s) om een inkomen uit arbeid te krijgen en het eventueel ontstaan van financiële problemen; is er een sociaal netwerk en zo ja, wat zijn de mogelijkheden en de bereidheid van het sociaal netwerk om de jeugdige of zijn ouder(s) te ondersteunen; overige individuele omstandigheden die door jeugdige en ouder(s) worden ingebracht. 11.. Bij (dreigende) overbelasting geldt dat: er moet een verband zijn tussen de overbelasting en de zorg aan de jeugdige; als de overbelasting ziet op spanningen door het werk of door andere factoren buiten de zorg van de jeugdige om, moet de ouder eerst een oplossing zoeken in de oorzaak van die spanningen. Bij een aanvraag voor een individuele voorziening bekijkt het college wat er wordt gedaan om die spanningen te verminderen; als de (dreigende) overbelasting kan worden verminderd door het herinrichten van het werk of andere sociale activiteiten, wordt dit eerst van de ouder verwacht. Het verlenen van hulp aan het kind gaat voor op sociale activiteiten; een pgb voor het verlenen van hulp aan een jeugdige door een ouder wordt beëindigd als er sprake is van (dreigende) overbelasting. Een andere zorgverlener moet het verlenen van hulp overnemen om de overbelasting te stoppen. 12.. Als na onderzoek blijkt dat de niet-gebruikelijke hulp in de gegeven omstandigheden verwacht kan worden is er sprake van voldoende eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen. Het college verstrekt in dat geval geen individuele voorziening. 13.. Als de jeugdige en/of de ouder(s) een aanvullende zorgverzekering hebben die de benodigde hulp (deels) vergoedt, wordt van ouder(s) verwacht dat zij deze aanspreken. Het college verstrekt dan geen individuele voorziening tot jeugdhulp of alleen een aanvullende voorziening voor het gedeelte dat niet wordt vergoed.

Rechtspraak bij dit artikel