De Gemeente Land van Cuijk volgt het beoordelingskader van een stappenplan voor zorgvuldig onderzoek in de jeugdwet, volgens uitspraak van de Centrale Raad van Beroep bij beoordeling van een jeugdhulponderzoek.
5.1 Melding
5.1.1 Jeugdige en/of ouder(s) die op grond van artikel 1.1 van de jeugdwet onder de verantwoordelijkheid van het college vallen kunnen zich met een hulpvraag melden bij het college. Het college legt een mondelinge melding vast. Indien de jeugdige en/of zijn ouder(s) of diens wettelijke vertegenwoordiger daarbij tevens ondubbelzinnig verzoeken om een individuele voorziening, wordt dit aangemerkt als een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
5.1.2 Als bij het college een aanvraag om een individuele voorziening wordt ingediend, voert het college in samenspraak met de jeugdige en/of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen acht weken, een onderzoek uit overeenkomstig 5.2 en 5.3 van dit artikel en maakt zo spoedig mogelijk een afspraak voor een gesprek. In overleg met het college kunnen de jeugdige en/of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger de aanvraag lopende het onderzoek aanvullen of wijzigen.
5.1.3. Het college beslist op een aanvraag om een individuele voorziening binnen de in artikel 4:13 van de Algemene wet bestuursrecht bedoelde termijn. Het college kan de beslissing voor ten hoogste acht weken verdagen.
5.2 Vooronderzoek
5.2.1 Het college verzamelt alle voor het onderzoek van belang zijnde en toegankelijke gegevens over de jeugdige en zijn situatie;
5.2.2 Voor het gesprek verschaffen de jeugdige en/of zijn ouders aan het college alle overige gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college voor het onderzoek nodig zijn en waarover zij redelijkerwijs kunnen beschikken.
5.3 Onderzoek
5.3.1 Het college onderzoekt in een gesprek -waarbij de jeugdige en/of zijn ouders in staat zijn om een geldig legitimatiebewijs te tonen zoals bedoeld in artikel 1 van de Wet op de verificatieplicht- tussen de consulent jeugd en de jeugdige en/of zijn ouders, zo spoedig mogelijk en voor zover nodig:
De behoeften, persoonskenmerken, voorkeuren, veiligheid, ontwikkeling en gezinssituatie van de jeugdige en het probleem of de hulpvraag;
Het college stelt vast of er sprake is van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en/of stoornissen, zoals staat vermeld in artikel 2.3. van de Wet;
Het gewenste resultaat van het verzoek om jeugdhulp;
Het vermogen van de jeugdige en/of zijn ouders om zelf met ondersteuning van de naaste omgeving een oplossing voor de hulpvraag te vinden;
De mogelijkheden om gebruik te maken van een algemene of voorliggende voorziening;
De mogelijkheden om jeugdhulp te verlenen met gebruikmaking van een individuele voorziening;
De wijze waarop een mogelijk toe te kennen individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen;
Hoe rekening zal worden gehouden met de godsdienstige gezondheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en/of zijn ouders;
De mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een PGB, waarbij de jeugdige of zijn ouders in begrijpelijke bewoordingen worden ingelicht over de gevolgen van die keuze.
5.3.2 Het college informeert de jeugdige en/of zijn ouders over de gang van zaken bij het gesprek, hun rechten en plichten en de vervolgprocedure, int indien nodig extern advies en vraagt hen toestemming om hun (bijzondere) persoonsgegevens te verwerken.
5.4 Onderzoeksverslag
5.4.1 Het college zorgt voor schriftelijke verslaglegging van het onderzoek;
5.4.2 Zo spoedig mogelijk na het gesprek verstrekt het college aan de jeugdige en/of zijn ouders een verslag van de samenvatting van het onderzoek en de conclusie daarvan, tenzij zij hebben meegedeeld dit niet te wensen;
5.4.3 Opmerkingen of latere aanvullingen van de jeugdige en/of zijn ouders worden aan het verslag toegevoegd.
5.4.4 Als uit het verslag blijkt dat gezamenlijke conclusie is dat de hulpvraag kan worden opgelost met eigen mogelijkheden en het eigen probleemoplossend vermogen, dan wel door gebruik van een andere of overige voorziening, dan wordt het verslag ondertekend door de jeugdige of de jeugdige en zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger en wordt deze teruggestuurd. In dat geval geldt het ondertekende verslag voor zover er een aanvraag was ingediend als intrekking van die aanvraag voor een individuele voorziening.
5.5 Indienen aanvraag
5.5.1 Jeugdige en/of ouders kunnen een aanvraag voor een individuele voorziening schriftelijk indienen bij het college. Een aanvraag wordt ingediend door middel van een door het college vastgesteld formulier.
5.5.2 Het college kan een ondertekend onderzoeksverslag aanmerken als aanvraag indien de jeugdige en/of zijn ouders dat op het verslag hebben aangegeven.
5.5.3 Het ondertekende verslag, bedoeld in artikel 5.4 lid 4 maakt in zijn geheel deel uit van de beschikking.
5.5.4 Het college kan nadere regels stellen over de procedure voor de aanvraag.