Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3. › Paragraaf 2.

Artikel 6.

Criteria individuele voorzieningen (eigen kracht)

Onderdeel van Verordening jeugdhulp Land van Cuijk 2026

Jeugdigen en/of ouder komen pas in aanmerking voor een individuele voorziening als zij zelf geen oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag binnen hun eigen kracht, het sociale netwerk, aanspraak op aanvullende zorgverzekering en probleemoplossend vermogen of voorliggende / algemene voorzieningen. Voor de vraag of dat zo is, worden de volgende vragen getoetst voor de beantwoording hiervan: Is de ouder in staat de noodzakelijke hulp te bieden? Is de ouder beschikbaar om de noodzakelijke hulp te bieden? Levert het bieden van de hulp door de ouder geen overbelasting op? Blijft de ouder de noodzakelijke hulp zonder vergoeding bieden? En zo ja, komt de opvoeder daardoor niet in de problemen? 6.1(dreigende) Overbelasting: De zorg voor een jeugdige kan dermate intensief en complex zijn dat sprake is van een situatie waarin de draaglast en/of de draagkracht van de ouder of verzorger structureel overstijgt. In een dergelijke situatie wordt gesproken van overbelasting. Dit betekent dat de belasting, voortvloeiend uit de zorg voor de jeugdige, niet meer in verhouding staat tot de fysieke, psychische, sociale en/of materiële mogelijkheden van de ouder of verzorger om deze zorg op een verantwoorde wijze te dragen. Een disbalans tussen draagkracht en draaglast kan tevens ontstaan door andere relevante factoren, zoals een ziekte, aandoening of beperking van de ouder of verzorger. In alle gevallen dient zorgvuldig onderzocht te worden welke omstandigheden en factoren hebben geleid tot de overbelasting. Daarbij moeten zowel de aard en ernst van de klachten van overbelasting, als de gevolgen voor de ouder of verzorger én de impact op de kwaliteit en continuïteit van de zorg voor de jeugdige duidelijk worden vastgelegd. Voor dit onderzoek en de beschrijving van de balans tussen draagkracht en draaglast maakt het college gebruik van het Balansmodel van Bakker, zoals ontwikkeld door het Nederlands Jeugdinstituut. Uit het onderzoek kan evenwel blijken dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) tekortschiet, omdat sprake is van: geobjectiveerde beperkingen om noodzakelijke hulp te bieden; een gebrek aan kennis of vaardigheden om noodzakelijke hulp te bieden; of overbelasting of dreigende overbelasting, waardoor geen noodzakelijke hulp kan worden verwacht totdat deze belasting of dreigende overbelasting is opgeheven. bij de beoordeling van 6.1.c, wordt ook vastgesteld welke mogelijkheden de ouder(s) hebben om de overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen, waarbij redelijkerwijs verwacht mag worden dat de ouder(s) maatschappelijke activiteiten beperken en betaalde arbeid verminderen of anders organiseren om overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen. Hierbij houdt het college ook rekening met: de behoefte en mogelijkheden van de jeugdige; de duur van de inzet, waarbij als uitgangspunt geldt dat kortdurende inzet van niet langer dan 3 maanden in een jaar niet tot overbelasting leidt; de planbaarheid van de hulp; de benodigde ondersteuningsintensiteit; de samenstelling van het gezin en de woonsituatie; de noodzaak van de ouder(s) om in een inkomen te voorzien. 6.2Een indicatie bij (dreigende) overbelasting: Voor zover een ouder of opvoedsituatie overbelast is of dreigt te raken, kan van hem of haar een verminderde bijdrage worden verwacht (eigen kracht), totdat de draagkracht en draaglast in balans is. De gemeente kan - in principe kortdurende - jeugdhulp inzetten wanneer hier sprake van is. Daarbij geldt het volgende: De gemeente kan een medisch advies opvragen om te kunnen beoordelen of er sprake is van overbelasting. Er moet een verband zijn tussen de overbelasting van de ouder en de zorg die de ouder aan de jeugdige biedt. Bijvoorbeeld: Bij overbelasting door een baan van te veel uren of als gevolg van ernstige spanningen op het werk, zal de oplossing gezocht moeten worden in de oorzaak van de spanning. Wanneer er voor de ouder eigen mogelijkheden en/of algemene/collectieve/andere (voorliggende) voorzieningen zijn om de draaglast en draagkracht in balans te brengen, moeten deze eigen mogelijkheden en/of voorzieningen eerst worden ingezet. Wanneer de overbelasting door bijvoorbeeld het herinrichten van het huiselijk leven en/of werk kan worden verminderd, dan wordt dit ook van een ouder verwacht. Het kan dan gaan om zowel een tijdelijke herinrichting als een structurele herinrichting. Er kan voor gekozen worden een indicatie toe te kennen, zodat ouder(s) de ruimte krijgen deze herinrichting te verwezenlijken. Dit gebeurd enkel wanneer dit noodzakelijk is om goede zorg voor het kind te garanderen. Wanneer de indicatie verlopen is en een nieuwe aanvraag wordt gedaan, zal worden gekeken of en welke inzet door de ouder is gedaan om de overbelasting te verminderen. Wanneer hier geen inzet op gepleegd is door de ouder, wordt de voorziening vanuit de gemeente stop gezet. Tenzij het stopzetten van de indicatie grote nadelige gevolgen heeft voor het kind en er geen passend alternatief zorgaanbod op dat moment beschikbaar is. Voor zover de (dreigende) overbelasting wordt veroorzaakt door sociale maatschappelijke activiteiten, wel of niet in combinatie met een fulltime school- of werkweek, gaat het geven van hulp voor op die maatschappelijke activiteit.

Rechtspraak bij dit artikel