1.. Het college stelt voor elk referendum een gemeentelijk stembureau in.

2.. Het college benoemt tijdig voor elk referendum drie leden van het gemeentelijk stembureau en een voldoende aantal plaatsvervangende leden, van wie één de voorzitter is en ten minste één plaatsvervangend-voorzitter.

3.. Als (plaatsvervangend) lid van het gemeentelijk stembureau kan worden benoemd degene die op de dag van de stemming de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt en naar het oordeel van het college over voldoende kennis en vaardigheden beschikt op het terrein van het verkiezingsproces, met uitzondering van degene:

  • - die bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak van het kiesrecht is ontzet;
  • - die als lid van een stembureau bij een vorige verkiezing heeft gehandeld of een handeling heeft nagelaten in strijd met het bij of krachtens de Kieswet of deze verordening bepaalde;
  • - die lid of plaatsvervangend lid is van een stembureau voor de stemming van het desbetreffende referendum;
  • - die lid is van de raad of het college van Amersfoort,
  • - die buitengewoon fractielid is van de raad;
  • - die lid is van provinciale staten of gedeputeerde staten van Utrecht;
  • - die initiatiefnemer is van het desbetreffende referendum.

4.. Het lidmaatschap van het gemeentelijk stembureau eindigt van rechtswege nadat over de uitslag van het referendum definitief is beslist door de raad.