Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2

Artikel 9.

Algemene criteria maatwerkvoorziening

Onderdeel van Integrale verordening Sociaal Domein Woudenberg 2026

1.. Een cliënt en/of zijn wettelijk vertegenwoordiger(s) kan in aanmerking komen voor een aanvullende collectieve of individuele maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet kan verminderen of wegnemen met: gebruikelijke hulp; mantelzorg; dan wel gebruikmaking van algemene voorzieningen, waaronder in ieder geval wordt verstaan dienstverlening door het sociaal team, bijvoorbeeld het verstrekken van informatie, advies, coaching en kortdurende begeleiding; gebruikmaking van algemene gebruikelijke voorzieningen. 2.. Geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt als: de cliënt de aangevraagde voorziening heeft gerealiseerd of aangeschaft (voor of) na de melding maar nog voor de datum van besluit, tenzij: het college daarvoor uitdrukkelijk schriftelijk toestemming heeft verleend; of de noodzaak, adequaatheid en passendheid van de voorziening en de gemaakte kosten achteraf nog kan beoordelen; of uit die beoordeling blijkt dat dit niet in eigen kracht is gerealiseerd; bovenstaande uitzonderingsgronden vervallen 3 maanden na de startdatum van de aangevraagde voorziening; daarna kan de maatwerkvoorziening niet meer met terugwerkende kracht worden toegekend. de noodzaak tot het treffen van de woonvoorziening het gevolg is van een verhuizing waartoe op grond van belemmeringen bij het normale gebruik van de woning geen aanleiding bestond en er geen belangrijke reden aanwezig was; het aanspreken van een aanvullende verzekering die is afgesloten, mogelijk is. de effectiviteit van de gewenste maatwerkvoorziening naar het oordeel van het college onvoldoende wetenschappelijk bewezen is de gevraagde voorziening in geen redelijke verhouding staat tot het te bereiken resultaat, gelet op de kosten, de effectiviteit en mogelijke alternatieven; de cliënt of diens vertegenwoordiger geen of onvoldoende medewerking verleent aan het onderzoek, het keukentafelgesprek of het opstellen van het plan van aanpak. 3.. Er is in het kader van de Jeugdwet sprake van gebruikelijke hulp, zoals genoemd in lid 1.a, wanneer: de noodzakelijke hulp, in geval van maatwerkvoorzieningen vanuit de Jeugdwet, naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van ouder(s)/verzorger(s), ook als de jeugdige een ziekte, aandoening, beperking of andere problematiek heeft, rekening houdend met: de leeftijd van de jeugdige, de mate van zorg bij activiteiten en handelingen, de mate van toezicht en de mate van begeleiding/stimulans die een jeugdige van die leeftijd nodig heeft, de aard en de duur van de hulp en de benodigde ondersteuningsintensiteit van de jeugdige, de mate van planbaarheid van de hulp, en de behoefte en mogelijkheden van de jeugdige; 4.. Wanneer er in het kader van de Jeugdwet geen sprake is van gebruikelijke hulp, is er sprake van bovengebruikelijke hulp. Bij bovengebruikelijke hulp wordt van ouder(s)/verzorger(s) verwacht dat ze deze zelf bieden wanneer: de situatie kortdurend is, dat wil zeggen: als er uitzicht is op herstel van het probleem en de samenhangende zelfredzaamheid en als het probleem voortduurt over een aaneengesloten éénmalige periode van maximaal drie maanden in één kalenderjaar, tenzij dit gezien de aard van de benodigde hulp niet van ouder(s)/verzorger(s) of huisgenoten mag worden verwacht; of in het geval van een langdurende situatie, het gaat over het bieden van een beschermende woonomgeving van ouder(s)/verzorger(s) aan kinderen tot en met de leeftijd van 17 jaar. En het college heeft onderzocht of: De ouder(s)/verzorger(s) in staat zijn de noodzakelijke hulp te bieden, De ouder(s)/verzorger(s) beschikbaar zijn om de noodzakelijke hulp te bieden, Het bieden van de noodzakelijke hulp geen overbelasting oplevert, en de ouder(s)/verzorger(s) de noodzakelijke hulp kunnen blijven bieden zonder vergoeding. En de volgende factoren niet leiden tot problemen bij het kunnen verlenen van de bovengebruikelijke hulp, bij de beschikbaarheid van de ouder(s)/verzorger(s) voor het verlenen van de hulp, bij de belasting van de ouder(s)/verzorger(s) en bij de financiële situatie van de ouder(s)/verzorger(s): de aard en de duur van de hulp en de benodigde ondersteuningsintensiteit van de jeugdige, de mate van planbaarheid van de hulp, het lichamelijk en geestelijk welzijn van de ouder(s)/verzorger(s), de manier van omgaan van ouder(s)/verzorger(s) met de problemen van de jeugdige, vaardigheden van de ouder(s)/verzorger(s) om zelf hulp te bieden, of er sprake is van problematiek bij de ouder(s)/verzorger(s), zoals relationele problemen of schulden, welke verplichtingen de ouder(s)/verzorger(s) hebben, bijvoorbeeld met betrekking tot werk en sociale verplichtingen, het belang van ouder(s)/verzorger(s) om een inkomen uit arbeid te krijgen en het eventueel ontstaan van financiële problemen, de woonsituatie, de samenstelling van het gezin en de relatie tussen de gezinsleden, is er een sociaal netwerk en zo ja, wat zijn de mogelijkheden en de bereidheid van het sociaal netwerk om de jeugdige of zijn ouder(s)/verzorger(s) te ondersteunen, of overige individuele omstandigheden die door jeugdige en ouder(s)/verzorger(s) worden ingebracht; in het geval dat een ouder uitvalt en er meer dan één ouder gezag heeft over de minderjarige, neemt de andere ouder de gebruikelijke hulp over, met inachtneming van de punten onder lid d, ook als de jeugdige niet bij die ouder woont. Het college kan beleidsregels stellen ten aanzien van het onderzoek naar gebruikelijke hulp en de uitwerking daarvan. 5.. Ten aanzien van een maatwerkvoorziening met betrekking tot de Wet maatschappelijke ondersteuning geldt dat een cliënt alleen voor een maatwerkvoorziening in aanmerking komt indien: de noodzaak tot ondersteuning voor de cliënt redelijkerwijs niet vermijdbaar was; de voorziening voorzienbaar was, maar van de cliënt redelijkerwijs niet verwacht kon worden maatregelen te hebben getroffen die de ondersteuningsvraag deels of geheel opgelost had. 6.. Een cliënt die ingezetene is van Nederland met psychische of psychosociale problemen en de cliënt die de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving voor zover de cliënt deze problemen naar het oordeel van het college niet kan verminderen of wegnemen met: gebruikelijke hulp; mantelzorg; dan wel gebruikmaking van algemene/basisvoorzieningen, waaronder in ieder geval wordt verstaan dienstverlening door het sociaal team, bijvoorbeeld het verstrekken van informatie, advies, coaching en kortdurende begeleiding; gebruikmaking van algemene gebruikelijke voorzieningen; kan verminderen of wegnemen. 7.. De maatwerkvoorziening als bedoeld in het vorige lid levert, rekening houdend met het plan van aanpak als bedoeld in artikel 5 van de verordening en voor zover aanwezig het persoonlijk plan of familiegroepsplan, een passende bijdrage aan het voorzien in de behoefte van de cliënt aan beschermd wonen of opvang en aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt voldoende en op aanvaardbare wijze in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht op verantwoorde wijze te handhaven in de samenleving. 8.. Het college beoordeelt de hulpvraag aan de hand van het gesprek en de genoemde onderwerpen als bedoeld in artikel 4 van deze verordening. 9.. Om te zorgen dat een maatwerkvoorziening kan worden afgestemd op andere voorzieningen als bedoeld in artikel 12, van de verordening draagt het college zorg voor afspraken met onder meer: partijen in het kader van gezondheidszorg; partijen in het kader van de algemene gebruikelijke voorzieningen gecertificeerde instellingen; instellingen die voorschoolse voorzieningen bieden; onderwijsinstellingen voor primair-, voortgezet- en speciaal onderwijs; de betreffende gemeentelijke afdelingen. 10.. Ten aanzien van situaties (Jeugd en Wmo) waar sprake is van overbelasting, bijvoorbeeld overbelasting van ouders, kan het college slechts een tijdelijke voorziening van maximaal 6 maanden verstrekken waarbij van degene die overbelast is wordt verwacht dat hij/zij in die periode actief en aantoonbaar gaat werken aan het verminderen van de belasting, dan wel het vergroten van de belastbaarheid.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel