1. Onverminderd hun afzonderlijke autonome verantwoordelijkheden voeren de deelnemende gemeenten gezamenlijk regie over de (kwaliteit van de) bedrijfsvoering en taakuitvoering van de uitvoeringsorganisatie.

2. Hiertoe vindt een periodiek regie-overleg plaats tussen vertegenwoordigers (budgethouders en/of regiefunctionarissen) van de deelnemende gemeenten en het hoofd van de uitvoeringsorganisatie.

3. De regievoering vindt in principe plaats op basis van de (periodieke rapportage over de) in artikel 8 genoemde opdrachtovereenkomsten.