1. Het gemeenschappelijk orgaan stelt jaarlijks, voor 15 april na afloop van het kalenderjaar de rekening van baten en lasten (inclusief de balans) van het voorgaande jaar vast.

2. Het gemeenschappelijk orgaan zendt zo spoedig mogelijk, docht uiterlijk 15 april, de rekening vergezeld van de daarbij horende verantwoording alsmede een verslag van het onderzoek naar deugdelijkheid, opgemaakt door een buiten het gemeenschappelijk orgaan staande deskundige, ter kennisneming toe aan de raden der deelnemende gemeenten;

3. Het gemeenschappelijk orgaan zendt de jaarrekening binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval vóór 1 augustus van het jaar volgende op het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft, aan gedeputeerde staten.