Er is in ieder geval sprake van een huisvestingsprobleem dat redelijkerwijs te voorkomen is of op andere wijze op te lossen is, indien:
Problemen met de huidige woonsituatie
er geen directe relatie bestaat tussen het probleem en de woning of woonomgeving. Een andere woning in de regio en/of gemeente zou daarmee geen oplossing betekenen;
de aanvrager geen beroep doet op huurbescherming, wanneer de verhuurder aangeeft de huur op te willen zeggen; of
de aanvrager terecht kan in een voorziening bedoeld voor tijdelijke huisvesting;
Problemen gerelateerd aan het huishouden
de aanvrager bij dreigend geweld een beroep kan doen op een huisverbod, straatverbod of een contactverbod;
Overig
de aanvrager met behulp van gerichte behandeling diens medische of sociale woonprobleem kan oplossen;
de aanvrager publieke voorzieningen op het gebied van zorg, hulp en ondersteuning kan inroepen, zoals het realiseren van een traplift of andere woningaanpassingen die de gemeente in het kader van de Wmo mogelijk maakt, hulp bij het huishouden of vervoersvoorzieningen, wijkverpleging, thuiszorg, maatschappelijk werk, schuldhulpverlening, geestelijke gezondheidszorg of jeugdhulp;
de aanvrager zelf over voldoende financiële middelen beschikt om het huisvestingsprobleem op te lossen; of
de aanvrager met diens inschrijving naar verwachting binnen redelijke termijn zelf in staat is om een woonruimte in de regio toegewezen te krijgen.
Hoofdstuk 2
Artikel 2.3
Uitwerking weigeringsgrond artikel 2.3.11, aanhef en onder c HVV: Het huishouden kon het huisvestingsprobleem voorkomen of oplossen
Onderdeel van Nadere regels woonurgentie Zuid-Kennemerland/IJmond: Zandvoort 2026