Op basis van artikel 28 van de verordening leerlingenvervoer 2026 kan het college in bijzondere gevallen, het vervoer voor onderwijs aangaande, ten gunste van de ouders/verzorgers afwijken van de bepalingen in deze verordening.
De verordening leerlingenvervoer 2026 kent een hardheidsclausule. Dat betekent dat in gevallen die niet in de verordening geregeld zijn en waarin dit tot een kennelijk onbillijke situatie zou leiden, er met een beroep op deze bepaling alsnog een vervoersvoorziening kan worden verleend. Toepassing van de hardheidsclausule is bedoeld voor uitzonderlijke situaties, omdat het overgrote deel van de voorkomende situaties in de verordening is geregeld. Het betreft situaties waar, bij het opstellen van onderliggende beleidsregels, geen rekening mee kon worden gehouden. Ook van de beleidsregels zelf kan worden afgeweken op grond van de zogenaamde inherente afwijkingsbevoegdheid van het college. Dit geldt dan eveneens voor situaties waarin de toepassing van de beleidsregels tot een kennelijk onbillijke uitkomst zou leiden.
De hardheidsclausule wordt niet toegepast als er alleen sprake is van de omstandigheid waarbij ouders/verzorgers wegens werkzaamheden of andere bezigheden de leerling niet naar school kunnen brengen. De reden daarvan is, dat ook ouders/verzorgers die geen aanspraak maken op leerlingenvervoer in eerste instantie zelf verantwoordelijk zijn voor het vinden van een oplossing voor het schoolvervoer wegens werk of opleiding. De genoemde omstandigheden kunnen wel in combinatie met andere relevante omstandigheden aanleiding zijn voor het toepassen van de hardheidsclausule.