1.. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester kansspelautomaten in een inrichting aanwezig te hebben.

2.. Voor een inrichting als bedoeld in artikel 1 van de Drank- en Horecawet waarin rechtmatig het horecabedrijf als bedoeld in dat artikel wordt uitgeoefend en waar het café en het restaurantbezoek op zichzelf staat en waar geen andere activiteiten plaatsvinden, waaraan een zelfstandige betekenis kan worden toegekend en waarvan de activiteiten in belangrijke mate gericht zijn op personen van 18 jaar en ouder kan een vergunning voor maximaal twee kansspelautomaten worden verleend.

3.. Voor een inrichting waarvoor een exploitatievergunning ex artikel 6, tweede lid, is verleend kan een vergunning voor maximaal 90 kansspelautomaten worden verleend onder de voorwaarden dat de ondernemer met betrekking tot de speelautomaten in het kader van de productdifferentiatie en op grond van het bepaalde in artikel 30n van de Wet jo artikel 13 van het Speelautomatenbesluit een ideale mix” opstelt.

4.. Indien de houder van een exploitatievergunning ex artikel 6, tweede lid op een deugdelijke wijze aantoont dat een – uit bedrijfseconomisch oogpunt – redelijke exploitatie van de speelautomatenhal niet mogelijk is met het aantal kansspelautomaten vermeldt in het tweede lid van dit artikel, kan de burgemeester een vergunning verlenen die toestaat dat er een groter aantal spelautomaten in de speelautomatenhal worden geplaatst dan vermeldt in het voorgaande lid, dan wel wordt gekozen voor een andere mix van speelautomaten, waartoe een gemotiveerd verzoek zal worden ingediend.

5.. Een aanwezigheidsvergunning ingevolge het eerste lid wordt verleend voor onbepaalde duur.

6.. Een aanwezigheidsvergunning ingevolge het tweede of derde lid wordt verleend gelijk aan de periode waarvoor de exploitatievergunning wordt verleend.