In aanvulling op de algemene strategieën in bijlage 1, zijn in voorliggende bijlage de specifieke strategieën voor locaties met milieuactiviteiten, zorgwekkende stoffen, bodem en energie opgenomen. Het is een concrete invulling van de werkwijzen die we hanteren in de uitvoering (preventie, vergunningverlening en beoordeling meldingen en rapportages) en handhaving (toezicht). Deze concrete invulling past bij de beschreven prioriteiten, risico’s en doelstellingen. Per saldo verwachten we dat de realisatie van deze werkwijze budgetneutraal kan plaatsvinden (zie ook paragraaf 1.3). De concrete uitwerking in benodigde uren vindt plaats in de jaarprogramma’s.

Locaties met milieuactiviteiten

Doordat jaarlijks de naleefscore opnieuw berekend wordt, wijzigt per jaar de top 10 van SBI-codes met de slechtste naleefscore. De top 10 van slechtste nalevers in 2024 is (met naleefscore erachter):

SBI2024
1. Handel in vrachtauto's (incl. import en reparatie)4,0
2. Grth minerale olieprodukten (excl. brandstoffen)3,6
3. Stookinstallaties>900kW thermisch vermogen: - gas, < 2,5 MW3,3
4. Gasdistributiebedrijven: - gasontvang- en -verdeelstations, cat. D3,0
5. Vervoersbedrijven (uitsluitend kantoren)3,0
6. Elektromotoren- en generatorenfabrieken incl. reparatie3,0
7. Grth in vloeibare en gasvormige brandstoffen: - vloeistoffen, o.c. < 100.000 m32,9
8. Discotheken, muziekcafé's2,9
9. Drukkerijen van dagbladen2,8
10. Fokken en houden van overige dieren: - maden, wormen e.d.2,7

Figuur 5. Top 10 van SBI-codes met slechtste naleefscore in 2024

Op basis van de beschrijving van de risico’s en de geformuleerde U&H-doelstellingen, gelden voor milieubelastende activiteiten op locaties de volgende beleidsuitgangspunten:

Uitvoering locaties met milieuactiviteiten

  • - OD Drenthe is verantwoordelijk voor de volledigheid van het overzicht van locaties met milieubelastende activiteiten (alle locaties in beeld). Om het overzicht van locaties volledig te houden, voert OD Drenthe gevelcontroles uit, worden jaarlijks overzichten van milieuactiviteiten uit registraties van derden vergeleken én houden toezichthouders milieu op weg van/naar een geplande controle de omgeving in het oog.
  • - OD Drenthe is verantwoordelijk voor de volledigheid van benodigde gegevens van ieder van de locaties (benodigde gegevens van locaties in beeld). Bij het beoordelen van een adviesverzoek, melding of (vergunning)aanvraag en het uitvoeren van controles actualiseert OD Drenthe de gegevens; de gegevens van locaties die langere tijd niet gecontroleerd zijn, zijn daardoor minder actueel dan gegevens van recent gecontroleerde locaties.
  • - Locaties met een of meerdere melding- of vergunningplichtige milieubelastende activiteiten beschikken over een actuele melding of omgevingsvergunning.
  • - Alle meldingen, rapportages en aanvragen voor vergunningen voor milieubelastende activiteiten worden beoordeeld op volledigheid op basis van de landelijke indieningsvereisten.
  • - Alle relevante milieuthema’s uit ieder adviesverzoek en iedere melding, rapportage en (vergunning)aanvraag voor milieubelastende activiteiten worden globaal inhoudelijk beoordeeld door de generieke vergunningverlener. Een diepgaande inhoudelijke beoordeling van meldingen, rapportages en aanvragen vindt op basis van milieurisico plaats, waarbij van de standaardaanpak kan worden afgeweken bij (1) kwetsbare objecten in de omgeving en (2) aanwezigheid van specifieke activiteiten.
    • - Adviesverzoeken, meldingen en (vergunning)aanvragen worden altijd door de specialist beoordeeld als het milieurisico op het betreffende milieuthema van de activiteit groter of gelijk is aan 4 op een schaal van 1-5. Als voorbeeld: een adviesverzoek, aanvraag of melding voor een vergister wordt altijd diepgaand inhoudelijk getoetst door een specialist Lucht, een specialist Geur en een specialist Externe Veiligheid.
    • - Adviesverzoeken, meldingen en (vergunning)aanvragen worden altijd besproken met een specialist als het milieurisico op het betreffende milieuthema van de activiteit tussen 3,5 en 4 is op een schaal van 1-5.
    • - Voor milieuthema’s met een risicoscore lager dan 3,5 op een schaal van 1-5 wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van standaard teksten voor de vergunning of reactie op het adviesverzoek of de melding.

Handhaving locaties met milieuactiviteiten

  • - Het jaarlijks selecteren van locaties met een of meerdere milieubelastende activiteiten die een reguliere controle ontvangen, gebeurt risicogericht. Op basis van risicovariabelen en input van deelnemers bepaalt OD Drenthe jaarlijks welke locaties integraal én welke locaties op specifieke milieuthema’s een controlebezoek ontvangen.
    • - Voor de locaties met een IPPC-installatie geldt:
      • - de industriële IPPC-locaties worden 1x per jaar gecontroleerd op specifieke milieuthema’s. Hiervoor wordt per locatie met milieuactiviteiten een toezichtplan opgesteld, waarin bepaald wordt welke milieuthema’s in welk jaar gecontroleerd worden. Iedere 5 jaar komen alle milieuthema’s aan bod.
      • - de agrarische IPPC-locaties met een individuele naleefscore groter dan 2 (op een schaal van 1 tot 5), wordt 1x per jaar integraal gecontroleerd op alle milieuthema’s.
      • - de agrarische IPPC-locaties met een individuele naleefscore van 2 of lager (op een schaal van 1 tot 5) worden 1x per 3 jaar integraal gecontroleerd op alle milieuthema’s.
    • - Het risico van de locaties zonder IPPC-installatie wordt bepaald door dynamische en statische variabelen.
      • - De score van ieder van de SBI-codes op de statische variabelen wordt minimaal 1x per 4 jaar geactualiseerd. Dit gebeurt met inbreng van in ieder geval de gemeenten, provincie en Openbaar Ministerie. Als statische variabelen wordt in ieder geval meegenomen:
      • - Milieueffect (factor 1)
      • - Ondermijning (factor 0,5)
      • - Maatschappelijke en bestuurlijke impact (factor 1)
  • - Afhankelijk van de factor telt de variabele zwaar of licht mee bij het bepalen van het totaalrisico. OD Drenthe actualiseert minimaal 1x per 3 jaar de score op de milieueffecten; bij de eerstvolgende evaluatie wordt bekeken of trillingen en gezondheid kunnen worden meegenomen als milieueffect. OD Drenthe informeert de deelnemers indien variabelen worden toegevoegd, scores van variabelen wijzigen of de factor wijzigt.
  • - ii. De score van ieder van de SBI-codes op de dynamische variabelen wordt 1x per jaar geactualiseerd. Als dynamische variabele wordt in ieder geval meegenomen:
  • - Naleefgedrag (factor 2,5). Het naleefgedrag bepaalt daarmee in grote mate het risico van een SBI-code. Indien blijkt dat het naleefgedrag van een SBI-code op korte termijn fors verslechtert, voert OD Drenthe eerst een analyse uit of dit verslechterd naleefgedrag veroorzaakt wordt door een kleine of representatieve groep bedrijven. Indien de groep bedrijven met slecht naleefgedrag niet representatief is, voert OD Drenthe een correctie uit.
    • - De dynamische en statische variabelen bepalen jaarlijks het totaalrisico van de SBI-code. Afhankelijk van de score (op een schaal van 1 tot 5) wordt de prioriteit bepaald:
      • - Prioriteit 1: SBI-code met een score groter dan 2,5
      • - Prioriteit 2: SBI-code met een score tussen 2,0 en 2,5
      • - Prioriteit 3: SBI-code met een score tussen 1,5 en 2
      • - Prioriteit 4: SBI-code met een score tussen 1,0 en 1,5
      • - Prioriteit 5: SBI-code met een score kleiner dan 1,0
    • - Voor de locaties zonder IPPC-installatie geldt dat locaties met milieuactiviteiten met een recent en goed naleefgedrag niet regulier worden bezocht. Controles naar aanleiding van milieuklachten en incidenten vinden wel plaats. Het betreft locaties met een naleefscore < 2 én laatste controle niet ouder dan 3 jaar. Voor de overige locaties geldt:
      • - Prioriteit 1 en 2: alle locaties met deze SBI-code worden jaarlijks bezocht. Controles vinden plaats op alleen die milieuthema’s die op de statische risicovariabele ‘milieueffect’ een risicoscore > 2 hebben.
      • - Prioriteit 3: 10% (steekproef) van de bedrijven in de SBI-code wordt jaarlijks bezocht. Controles vinden plaats op alle milieuthema’s (integraal).
      • - Prioriteit 4: 7,5% (steekproef) van de bedrijven in de SBI-code wordt jaarlijks bezocht. Controles vinden plaats op alle milieuthema’s (integraal).
      • - Prioriteit 5: 5% (steekproef) van de bedrijven in de SBI-code wordt jaarlijks bezocht. Controles vinden plaats op alle milieuthema’s (integraal).
    • - De steekproef bij prioriteit 3, 4 en 5 is select. Voor de steekproef wordt een selectie gemaakt van de locaties met milieuactiviteiten die het langst niet gecontroleerd zijn én/of in Inspectieview een vermelding hebben van een of meerdere overtredingen die geconstateerd zijn door ketenpartners. Daarmee houden we, met de beschikbare capaciteit, zo goed mogelijk zicht op de relevante locaties met milieuactiviteiten.
    • - Controles worden in principe door de generiek toezichthouder verzorgd. Indien alleen milieuthema’s worden gecontroleerd waarvoor een specialist de controle uitvoert, is aanwezigheid van een generiek toezichthouder niet nodig.
      • - Indien het milieurisico op het betreffende milieuthema bij die SBI-code groter of gelijk is aan 4 (op een schaal van 1 tot 5) wordt de generiek toezichthouder bij (in ieder geval een deel van) z’n controle vergezeld door een specialist in dit milieuthema.
      • - Indien het milieurisico op het betreffende milieuthema bij die SBI-code groter of gelijk is aan 3,5 (op een schaal van 1 tot 5) wordt de controle voorbereid met behulp van een specialist in dit milieuthema.
  • - Van bovenstaande kan worden afgeweken bij (1) kwetsbare objecten in de omgeving en (2) aanwezigheid van specifieke activiteiten.
    • - Indien het aantal ingebrachte uren te beperkt is om alle geprioriteerde reguliere controles uit te voeren, wordt het percentage in prioriteit 5 verlaagd.
    • - Het bevoegd gezag levert binnen 3 maanden na bekendmaking van de te controleren bedrijven door OD Drenthe het milieudossier aan OD Drenthe én geeft eventuele (bestuurlijke) bijzonderheden over de betreffende locaties door. Indien het milieudossier niet tijdig wordt overgedragen, wordt de locatie met milieuactiviteiten voor het opvolgende jaar in het jaarprogramma opgenomen en vindt vermelding hiervan plaats in het jaarverslag van OD Drenthe.
  • - Op bedrijfsterreinen met een Geluid Productie Plafond geldt in de Omgevingswet een monitoringsplicht die minimaal iedere 5 jaar herhaald moet worden. Deze bedrijfsterreinen met relatief veel bedrijven in SBI-codes met hoge milieueffecten op geluid (> 3) monitort OD Drenthe intensiever; hier vindt monitoring minimaal iedere 3 jaar plaats. Bij de monitoring wordt ook beoordeeld of de aandachtsgebieden of plafonds aangepast moeten worden in verband met gewijzigde vergunningen.
  • - Bij het ketentoezicht hebben de ketens van grond- en afvalstromen de hoogste prioriteit. Zie het ketentoezicht in de toezichtstrategie van bijlage 1.

Op landelijk niveau vinden gesprekken plaats over de mogelijke verschuiving van bevoegdheden ten aanzien van indirecte lozingen van gemeenten naar waterschappen. De beoordeling van (vergunning)aanvragen en meldingen, evenals het toezicht op de indirecte lozingen, is een bevoegdheid van de gemeenten en provincie. Daarmee is de werkwijze zoals beschreven in deze strategie niet afwijkend ten opzichte van andere milieuthema’s, zoals geluid, luchtkwaliteit en externe veiligheid. Dit betekent dat bij de activiteiten en branches met een groot milieurisico op water (afvalwater/lozingen) specialisten (in opdracht) van OD Drenthe intensiever beoordelen en toezicht houden dan bij activiteiten en branches met een laag milieurisico op water (afvalwater/lozingen). Een wijziging kan optreden zodra landelijk wordt besloten over een verschuiving van bevoegdheden.

Zorgwekkende stoffen

Op basis van de beschrijving van de risico’s en de geformuleerde U&H-doelstellingen, gelden voor zorgwekkende stoffen, in aanvulling op de algemene strategieën in bijlage 1, de volgende specifieke strategieën. Daarbij is nu beperkt tot beleidsuitgangspunten voor asbest. Zodra keuzen bij de aanpak van overige zorgwekkende stoffen in beeld zijn, overwegen gemeenten en provincie om hiervoor specifieke beleidsuitgangspunten toe te voegen.

Uitvoering zorgwekkende stoffen

  • - Alle meldingen voor activiteiten met zorgwekkende stoffen worden beoordeeld op volledigheid op basis van de landelijke indieningsvereisten.
  • - Van de mutatiemeldingen (conform convenant d.d. 21 januari 2019, zie hoofdstuk 4) wordt het asbestinventarisatierapport steekproefsgewijs achteraf gecontroleerd.
    • - Voor deze steekproef wordt één keer per jaar een aselecte selectie van 10% van de dossiers geaudit.
    • - Als er onjuistheden in het dossier worden geconstateerd wordt contact opgenomen met de inventariseerder, de saneerder en zonodig met de woningcorporatie.
    • - Van iedere mutatiemelding ontvangt het bevoegd gezag een memo waarin staat dat de melding is ontvangen. Er volgt geen advies van OD Drenthe.
  • - Van de reguliere meldingen (niet zijnde mutatiemeldingen) wordt het asbestinventarisatie-rapport in samenhang met de ingediende sloopmelding vóór de start van de sloopwerkzaamheden beoordeeld op basis van de landelijke checklist (ODNL-controlelijst toetsen).
    • - De resultaten van de beoordeling worden opgeslagen en aangeboden aan het bevoegde gezag ter archivering.
    • - De indiener van de sloopmelding ontvangt een brief waarin staat dat de sloopmelding wordt geaccepteerd of dat de sloopmelding is afgewezen, opnieuw ingediend moet worden of aanvullende informatie moet worden verstrekt.
    • - Het bevoegd gezag ontvangt een afschrift van deze brief.
    • - Bij sloop van het volledig bouwwerk ontvangt het bevoegd gezag een advies voor wat betreft het asbest. De beoordeling van de constructieve en monumentale aspecten wordt door de gemeente afgehandeld, waarbij het advies van OD Drenthe ten aanzien van asbestregelgeving in acht wordt genomen.

Handhaving zorgwekkende stoffen

  • - Bij het toezicht op bedrijven waar gewasbestrijdingsmiddelen worden toegepast, wordt altijd de opslag van gewasbestrijdingsmiddelen gecontroleerd. Voor het toezicht op de toepassing van gewasbestrijdingsmiddelen zijn de gemeenten en provincie niet bevoegd.
  • - OD Drenthe selecteert dagelijks op de ODNL-controlelijst met in uitvoering zijnde sloopwerken waar een toezichthouder asbest naar toe wordt gestuurd. Het toezicht vindt plaats afhankelijk van het type melding én de risicoklasse. Bij het toezicht wordt geen onderscheid gemaakt in sloopwerken met een mutatiemelding of een reguliere melding.
    • - Milieuklachten en calamiteiten bij asbestsaneringen zijn urgent en worden daardoor altijd gecontroleerd (zie ook de toezichtstrategie in bijlage 1).
    • - Sloopwerken in risicoklasse 2a worden altijd gecontroleerd.
    • - Sloopwerken in risicoklasse 2 en 1 worden altijd gecontroleerd als de saneerder:
      • - in de afgelopen drie maanden geen of nauwelijks saneringen heeft uitgevoerd in Drenthe.
      • - in het overleg van de drie Noordelijke OD's, OD IJsselland, OD Twente, Arbeidsinspectie en IL&T is benoemd als risicovol.
      • - bij de afgelopen twee inspecties minimaal 1x overtredingen heeft begaan.
    • - Overige sloopwerken in risicoklasse 2 worden alleen gecontroleerd indien de werkplanning dit toelaat.
    • - Overige sloopwerken in risicoklasse 1 worden sporadisch gecontroleerd.
  • - Indien een toezichthouder asbest op zijn weg van/naar een geplande controle een niet-gemelde sloopactiviteit op een asbestverdachte locatie constateert, wordt een controle op illegale asbestverwijdering uitgevoerd.
  • - Indien de saneerder voor een woningcorporatie het convenant overtreedt, wordt de saneerder hierop aangesproken en wordt de woningcorporatie geïnformeerd.
  • - Jaarlijks worden, verdeeld over de gemeenten, nacontroles uitgevoerd. Bij het uitvoeren van de nacontroles wordt op basis van stortbewijzen achterhaald of de sanering tijdig is gemeld in het Landelijk Asbestvolgsysteem (LAVS). Indien van deze asbestverwijdering geen of niet tijdig een melding is ontvangen, worden de eigenaren aangeschreven en vindt handhaving plaats.
  • - Bij het toezicht tijdens de bouw en sloop hebben ketenpartners (waaronder gemeenten) bijzondere aandacht voor illegale (niet gemelde) saneringen van asbest. Ketenpartners zorgen ook voor bewustwording van het (tijdig) melden.
  • - Bij het ketentoezicht hebben de ketens van grond- en afvalstromen de hoogste prioriteit (zie het ketentoezicht in de toezichtstrategie van bijlage 1).

Bodem

Op basis van voorgaande beschrijving van de risico’s en de geformuleerde U&H-doelstellingen, gelden voor bodemactiviteiten de volgende beleidsuitgangspunten:

Uitvoering bodemactiviteiten

  • - OD Drenthe wordt door deelnemers actief betrokken bij ruimtelijke initiatieven, initiatieven voor bodemsanering en (grootschalig) graven. OD Drenthe ontvangt van deelnemers alle bodemonderzoeken die de deelnemer zelf geïnitieerd heeft, dan wel ontvangen heeft binnen andere projecten/initiatieven. Door vroegtijdig om de tafel te gaan, kunnen kansen en risico’s in beeld worden gebracht.
  • - OD Drenthe houdt de bodemkwaliteitskaart actueel; bodemonderzoeken die OD Drenthe beschikbaar krijgt, worden inhoudelijk beoordeeld en volledig verwerkt in het bodeminformatiesysteem en zijn daarmee toegankelijk voor deelnemers.
  • - De meldingen en (vergunning)aanvragen voor locaties met milieuactiviteiten (zie hoofdstuk 3) worden altijd door een bodemspecialist beoordeeld als
    • - het milieurisico op het milieuthema bodem bij die SBI-code groter of gelijk is aan 4 (conform punt 5. bij de specifieke strategie voor locaties met milieuactiviteiten) en/of
    • - de activiteit op een bodemgevoelige of (verdachte) verontreinigde locatie plaatsvindt.
  • - Bij de beoordeling richt de bodemspecialist zich primair op zorgwekkende stoffen die tot bodemverontreiniging kunnen leiden en andere potentiële verontreinigingen (o.a. indirecte lozingen).
  • - Alle meldingen en verplicht aangeleverde gegevens voor het opslaan en toepassen van bouwstoffen, grond en baggerspecie, graven in grond en saneren van bodem worden beoordeeld op volledigheid op basis van de indieningsvereisten.
  • - Inhoudelijke beoordeling van meldingen vindt alleen plaats als:
    • - sprake is van graven of saneren en/of
    • - de melding afkomstig is van een (bij OD Drenthe) onbekend bedrijf en/of
    • - het bedrijf de afgelopen twee meldingen een overtreding heeft begaan en/of
    • - grond afkomstig is van buiten de provincie Drenthe en/of
    • - grond bestemd is voor schone gebieden op de Drentse bodemkwaliteitskaart, waaronder de grondwaterbeschermingsgebieden.
  • - Als gevolg van deze keuze wordt naar verwachting zo’n 50% van de meldingen inhoudelijk beoordeeld. De resultaten van de beoordeling worden opgeslagen (toetsingstabel) en als advies aan het bevoegd gezag gestuurd.
  • - Om kennis van gewijzigde bodemwetgeving over te brengen én de bewustwording bij initiatiefnemers en vergunningverleners bij gemeenten en provincie te bevorderen, verzorgt OD Drenthe jaarlijks voorlichtingen over nut en noodzaak van bodemonderzoeken.

Handhaving bodemactiviteiten

  • - De uren die beschikbaar zijn voor bodemtoezicht worden berekend op basis van 50% toezicht op alle meldingen. Bovenstaande leidt tot een begrote bijdrage voor het bodemtoezicht. De inzet van de controles gebeurt risicogericht, waardoor de feitelijke frequentie van het bodemtoezicht afwijkt van de frequentie die is bepaald voor de begroting. Zie hiervoor onderstaande uitwerking.
  • - OD Drenthe houdt preventief toezicht in het vrije veld op illegale bodemactiviteiten. Hierop wordt 25% van de beschikbare uren voor bodemtoezicht ingezet. Bij het toezicht in het vrije veld worden gebieden geselecteerd op basis van databronnen (waaronder KLIC-meldingen en aanvragen bouwactiviteiten).
  • - Indien een toezichthouder bodem op zijn weg van/naar een geplande controle een niet-gemelde bodemactiviteit constateert, wordt direct of op een later moment een controle op illegale bodemactiviteiten uitgevoerd.
  • - De meldingen voor het opslaan en toepassen van bouwstoffen, grond, baggerspecie en mijnsteen worden ingedeeld in twee risicocategorieën op basis van een beoordeling van de milieurisico's én het gedrag van de uitvoerder. Circa 30% van de meldingen wordt ingedeeld in de hoge risicocategorie, 70% in de lage risicocategorie. Grootschalige bodemtoepassing (GBT), risicovolle toepassingen, meldingen van waterschappen en meldingen van slechte nalevers worden altijd in de hoge risicocategorie ingedeeld.
    • - De meldingen in de hoge risicocategorie worden allen op locatie gecontroleerd.
    • - De meldingen in de lage risicocategorie alleen door een aselecte steekproef (10%). Bij de controles worden alle aspecten uit de melding gecontroleerd.
  • - De meldingen voor graven of saneren worden allen op locatie op alle aspecten van de melding gecontroleerd. Momenteel kan nog geen onderscheid gemaakt worden in meldingen met grote en kleine risico’s. Zodra dit onderscheid gemaakt kan worden, vindt toezicht op deze meldingen ook risicogericht plaats.
  • - Meldingen voor aanleg van warmte-koudeopslag (bodemenergiesystemen) worden in 33% van de gevallen gecontroleerd. Op basis van de locatie van het bodemenergiesystemen, de diepte van de opslag en het type systeem (bijv. open versus gesloten en al dan niet gebruik van Glycol) wordt bepaald welke bodemenergiesystemen bezocht worden.
  • - Bij meldingen van activiteiten in grondwaterbeschermingsgebieden vindt altijd een controle op locatie plaats.
  • - Bij het verwijderen van oude opslagtanks in de bodem vindt altijd een controle op locatie plaats. Bij bovengrondse tanks vindt alleen een controle plaats indien een verontreiniging is aangetoond of wordt vermoed.
  • - De saneringslocaties met nazorg worden minimaal 1x per 4 jaar gecontroleerd; het betreft een controle op de nazorgverplichtingen en gebruiksbeperkingen. Bij IBC-nazorglocaties worden jaarlijks de monitoringsgegevens opgevraagd. Monitoringsgegevens van overige nazorglocaties (niet zijnde IBC) worden 1x per 3 jaar opgevraagd, ongeacht hun rapportageverplichting. Indien de termijn van aanlevering wettelijk langer is dan 3 jaar, wordt de wettelijke termijn gehanteerd voor opvragen van de gegevens. De gegevens worden altijd volledig beoordeeld om ontwikkelingen in de ondergrond te signaleren.
  • - Bij controles op locaties met milieuactiviteiten (zie hoofdstuk 3) wordt de generiek toezichthouder vergezeld door een bodemspecialist als het milieurisico op het milieuthema bodem bij die SBI-code groter of gelijk is aan 4. Indien het milieurisico op het betreffende milieuthema bij die SBI-code groter is dan 3, dan wordt de controle door de specialist mee voorbereid. Bij het toezicht richt de bodemspecialist zich primair op mogelijk voorkomen van bodembedreigende situaties en of voldaan wordt aan de geldende wet- en regelgeving.
  • - Bij het ketentoezicht hebben de ketens van grond- en afvalstromen de hoogste prioriteit (zie het ketentoezicht in de toezichtstrategie van bijlage 1).

Energie

Op basis van de beschrijving van de risico’s en de geformuleerde U&H-doelstellingen, gelden voor energie, in aanvulling op de algemene strategieën in bijlage 1, de volgende specifieke strategieën:

Uitvoering energie

  • - Op basis van gegevens uit diverse databronnen houdt OD Drenthe een overzicht bij van bedrijven en instellingen die zich naar verwachting iedere 4 jaar moeten melden in het kader van de energiebesparingsplicht.
  • - Bedrijven en instellingen die zich nog niet gemeld hebben én waarvan OD Drenthe vermoedt dat ze een groot (G) of zeer groot (Z) energieverbruik hebben, worden aangeschreven en worden gecontroleerd indien ze zich niet tijdig melden.
  • - De rapportages energiebesparingsplicht worden bij ontvangst niet inhoudelijk beoordeeld.
  • - Rapportages over de werkgebonden personenmobiliteit (voor bedrijven met meer dan 100 medewerkers) worden bij ontvangst niet inhoudelijk beoordeeld.
  • - De onderzoeksrapportages voor energiebesparende maatregelen én rapportages EED-audits worden beoordeeld op volledigheid op basis van de landelijke indieningsvereisten. Deze rapportages worden ook volledig inhoudelijk beoordeeld. De inhoudelijke beoordeling wordt bij het dossier opgeslagen.
  • - Doordat voor energiebesparing een informatieplicht geldt, worden voorschriften over energiebesparing niet opgenomen in besluiten op (vergunning)aanvragen.

Handhaving energie

  • - Het toezicht energie vindt niet gelijktijdig plaats met een integrale controle bij een milieu-locatie. Het toezicht energie is dusdanig specifiek, dat het combineren met controles op overige thema’s niet efficiënt is.
  • - Bij iedere controle ter plekke bij de locaties met milieuactiviteiten (zie hoofdstuk 3) wordt door de generiek toezichthouder beoordeeld of aan de verplichting voor rapportage energiebesparing is voldaan. Tevens wordt het feitelijk gebruik van elektriciteit en gas geregistreerd. Daarmee krijgt OD Drenthe zicht op bedrijven of instellingen die niet aan de informatieplicht voldoen, terwijl dit wel nodig was.
  • - Het jaarlijks selecteren van locaties voor het energietoezicht gebeurt risicogericht. Op basis van risicovariabelen bepaalt OD Drenthe jaarlijks welke locaties door een toezichthouder energie bezocht worden.
    • - Bedrijven en instellingen die een rapportage informatieplicht hebben ingediend, met een groot (G) of zeer groot (Z) energieverbruik, dus een verbruik van meer dan 200.000 kWh of meer dan 75.000 m3 aardgas(equivalent):
      • - met rubriceringscode R1 worden allen binnen één jaar na het indienen van de rapportage bezocht. Deze code betekent dat de Erkende Maatregelenlijst (EML)-systematiek wordt gevolgd én dat voor minstens één erkende maatregel de antwoordoptie ‘(Nog) niet uitgevoerd’ is geselecteerd.
      • - met rubriceringscode R2 worden voor minimaal 50% binnen één jaar na indienen van de rapportage bezocht. Het betreft een aselecte steekproef. Deze code betekent dat de EML-systematiek wordt gevolgd én dat voor minstens één erkende maatregel de antwoordoptie ‘Gedeeltelijk uitgevoerd’ is geselecteerd.
    • - Overige bedrijven en instellingen die een rapportage informatieplicht hebben ingediend worden aselect bezocht. Het aantal controles hiervoor is afhankelijk van de resterende middelen die beschikbaar zijn voor het uitvoeren van energietoezicht.
  • - In de voorbereiding van het energietoezicht worden de rapportages informatieplicht inhoudelijk beoordeeld. Indien voor de locatie een onderzoeksplicht en/of EED auditplicht geldt, wordt deze rapportage ook meegenomen in het energietoezicht.
  • - Op basis van de rapportages informatieplicht en uitgevoerde controles ontstaat per bedrijf/instelling inzicht in het energiebesparingspotentieel. Eind 2026 is er naar verwachting een goed beeld van het totale energiebesparingspotentieel in Drenthe. Begin 2027 bepalen de colleges van B&W en GS na consultatie van OD Drenthe op basis van dit potentieel het energiebesparingsdoel voor het totaal van de bedrijven/instellingen in Drenthe die onder de informatieplicht vallen.