De exploitatievergunning kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van:
de openbare orde;
de openbare veiligheid;
de volksgezondheid;
de bescherming van het milieu.
De burgemeester kan de vergunning weigeren indien:
de vestiging of exploitatie van het betreffende horecabedrijf in strijd is met het geldende omgevingsplan, tenzij het gaat om een ruimtelijk gewenste ontwikkeling en het college en/of de raad voornemens is/zijn om hieraan binnen afzienbare termijn medewerking te verlenen (bescherming leefomgeving);
De burgemeester weigert de vergunning indien:
indien moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf en/of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van het desbetreffende horecabedrijf;
de leidinggevende(n) binnen 5 jaar voor de aanvraag een horecabedrijf heeft geëxploiteerd dat op grond van ernstige vrees voor verstoring van de openbare orde bestuurlijke maatregelen zijn getroffen (openbare orde);
indien ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten of strafbare feiten te plegen (openbare orde);
indien de vermelde exploitant(en) of leidinggevende(n) ten tijde van de aanvraag de leeftijd van 21 jaren niet hebben bereikt (openbare orde);
indien de exploitant(en) of leidinggevende(n) onder curatele of bewindvoering staan, ontzet zijn uit het ouderlijk gezag of de voogdij of in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn (openbare orde).
Toelichting op de weigeringsgronden
Openbare veiligheid en volksgezondheid
Op basis van artikel 1:8, eerste lid, van de Apv wordt in het kader van de volksgezondheid en de veiligheid geëist dat een horecabedrijf waar rookwaren zonder tabak worden voor directe consumptie worden verstrekt, bijvoorbeeld bij de exploitatie van een shishalounge, het horecabedrijf niet is gelegen onder, boven of naast een woning. Deze weigeringsgrond ziet op het daadwerkelijke gebruik van de woonruimte.
De reden hiertoe is dat gezondheidsrisico’s aan het gebruik van waterpijpen kleven. Er zijn negatieve gevolgen voor de luchtkwaliteit van niet alleen de bezoekers van het horecabedrijf, maar ook voor de directe omwonenden. Bij het inhaleren komen schadelijke stoffen vrij, zoals teer en koolmonoxide. Het maakt hierbij weinig verschil in welke vorm de waterpijp wordt gerookt. Deze schadelijke stoffen kunnen negatieve gevolgen hebben voor de gezondheid op zowel de korte als lange termijn.
Een ander risico is de toepassing van kooldeeltjes en het daarmee samenhangende brandgevaar. De kooltjes waarvan gebruik wordt gemaakt blijven zeer lang branden en kunnen ook na lange tijd nog overgaan tot her-ontbranding. Een waterpijp in zijn algemeenheid vormt een ontstekingsbron van waaruit brand kan ontstaan in het horecabedrijf die kan overslaan op de directe omgeving.
a. Strijd met geldend omgevingsplan
De exploitatievergunning kan worden geweigerd indien sprake is van strijd met het omgevingsplan. In principe zal de burgmeester de exploitatievergunning weigeren, omdat feitelijk geen gebruik kan worden gemaakt van de exploitatievergunning wegens handelen in strijd met het omgevingsplan.
Weigering van de exploitatievergunning blijft achterwege indien een omgevingsvergunning kan worden verleend voor het horecabedrijf.
b. Woon- en leefsituatie in de omgeving
Meldingen van overlast in of in de directe omgeving van het horecabedrijf worden als volgt beoordeeld. Er dient te worden nagegaan of de gemelde overlast aan de wijze van exploiteren door de exploitant kan worden toegerekend. Hierbij wordt ook het huidige woon- en leefklimaat meegenomen. De spanning waaraan het woonmilieu reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door vestiging van het horecabedrijf. In de belangenafweging moet nader gemotiveerd worden in hoeverre het belang van de exploitant bij vergunningverlening opweegt tegen de ervaren overlast als gevolg van het exploiteren van het horecabedrijf. Er moet daarom inzicht worden gegeven hoe deze belangen tegen elkaar zijn afgewogen en hoe daarbij de aspecten van geluid, vervuiling, verkeers- en parkeerdruk zijn onderzocht en betrokken. In het document ‘Uitgangspunten onderzoek leefomgeving horecabedrijf’, dat onderdeel uitmaakt van dit beleid, is beschreven hoe een aanvraag zal worden beoordeeld (bijlage I).
Waar nodig worden extra voorschriften aan de vergunning verbonden, zodat bestaande overlast of te verwachten overlast kan worden teruggedrongen, dan wel voorkomen.
Voorbeelden van ontoelaatbare overlast zijn hard dichtslaan portieren, schreeuwen op straat, wegscheurende gemotoriseerde voertuigen, licht handgemeen (duwen, trekken), geruzie, ledigen maag- en/of blaasinhoud in de omgeving van het horecabedrijf, etc. Bij gemelde overlast is het van belang deze een zo goed mogelijk beeld te krijgen. In geval van klachten moet het in ieder geval gaan om:
effecten op de woon- en leefomgeving die gezien de lokale situatie als overlast zijn aan te duiden
te herleiden zijn tot het horecabedrijf
de overlast moet “objectiveerbaar” zijn, in de zin dat ieder weldenkend mens het als overlast zou ervaren.
Overlast moet worden onderscheiden van “normale” redelijkerwijs te verwachten effecten van de bedrijfsvoering, zoals het op een normale manier komen en gaan van bezoekers.
d. Wet Bibob
Op grond van de Beleidslijn Wet Bibob gemeente Beverwijk vindt voor horecaexploitatievergunningen toetsing op grond van de Wet Bibob plaats. De toetsing van de aanvraag op grond van de Wet Bibob is bedoeld als een aanvulling op de bestaande mogelijkheden om een vergunning te weigeren of in te trekken. De Wet Bibob verruimt de mogelijkheden van gemeenten en andere bestuursorganen om zich te beschermen tegen het risico dat criminele activiteiten worden gefaciliteerd. De beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit belangrijke uitgangspunten van de wet. Het instrument Bibob dient dan ook een ultimum remedium te zijn. Het bestuursorgaan onderzoekt eerst zelf of er geen bestaande weigeringsgronden aanwezig zijn. Deze bestaande weigeringsgronden hebben ook betrekking op de integriteit van de aanvrager of vergunninghouder.
f. Slecht levensgedrag
Exploitanten, leidinggevenden en beheerders hebben een belangrijke verantwoordelijkheid voor het woon- en leefklimaat in de omgeving van de onderneming en de openbare orde en veiligheid. Zij dienen verstoring van de openbare orde, zoals overlast, criminaliteit, geweld en alcoholmisbruik (en andersoortige verdovende middelen) te voorkomen en te beperken. Daarnaast zijn zij verantwoordelijk voor (de veiligheid van) hun personeel, bezoekers en de directe omgeving van het horecabedrijf en voor het signaleren en melden van misstanden, waaronder mensenhandel en uitbuiting.
Daarom geldt dat exploitanten, leidinggevenden en beheerders ‘niet in enig opzicht van slecht levensgedrag’ mogen zijn. Bij de invulling van dit criterium komt de burgemeester beoordelingsruimte toe. Per geval moet hij onderbouwen welke feiten of omstandigheden reden zijn om het levensgedrag tegen te werpen.
Toepassing van de toets op levensgedrag, is een preventieve toets om risico’s voor de openbare orde en veiligheid of het goede woon- en leefklimaat te beperken. Slecht levensgedrag is een (zelfstandige) grond om de vergunning te weigeren of in te trekken, te weigeren om leidinggevenden of beheerders bij te schrijven op de vergunning, om extra voorwaarden aan de vergunning te verbinden of de bestaande exploitatievergunning in te trekken. Deze toets vindt in ieder geval plaats bij de aanvraag of wijziging van een exploitatievergunning. Daarnaast kan de burgemeester dit op ieder moment doen dat hij dit nodig acht.
De burgemeester maakt bij de beoordeling van slecht levensgedrag gebruik van de volgende informatiebronnen:
informatie van de politie;
het Justitieel Documentatie Systeem;
handhavingsgegevens en overige gegevens waarover de gemeente beschikt;
informatie uit een Bibob-toets;
informatie uit openbare bronnen;
indien noodzakelijk kan de burgemeester via het RIEC informatie uitwisselen met de Nederlandse Arbeidsinspectie, belastingdienst, douane en de IND.
De volgende gedragingen kunnen in ieder geval worden betrokken bij de beoordeling van het levensgedrag:
gedragingen die zijn verwoord in processen-verbaal of mutaties van de politie;
gedragingen die zijn neergelegd in rapportages van toezichthouders;
gedragingen die blijken uit strafrechtelijke procedures;
strafrechtelijke veroordelingen, transacties en strafbeschikkingen;
zaken waarin het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is verklaard;
zaken die zijn geseponeerd;
het structureel overtreden van wet- en regelgeving waarvoor bestuursrechtelijke maatregelen, zoals boetes of lasten onder dwangsom, kunnen worden opgelegd.
Beoordelingsperiode
Bij de beoordeling van slecht levensgedrag worden in principe alleen feiten die zich hebben voorgedaan in de periode van vijf jaar voorafgaand aan het besluit meegenomen in de beoordeling. Dit geldt niet voor informatie van de Belastingdienst en overige fiscale feiten. Daarbij wordt gekeken naar de aard en de omvang van de informatie en of sprake is van een patroon om te beoordelen of dit relevant is op de toets op levensgedrag. Voor de exploitatievergunning van een coffeeshop kan tot 10 jaar worden teruggekeken. Bij de berekening is de pleegdatum leidend. De periode waarin een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf of voorlopige hechtenis is ondergaan telt niet mee. De peildatum voor het vaststellen van de periode van vijf jaar betreft de datum van het primaire besluit.
Indien sprake is van een patroon kan de burgemeester bij zijn beoordeling wel feiten en omstandigheden meenemen van een periode langer dan vijf jaar geleden. Deze feiten en omstandigheden zijn echter niet meer voldoende om zelfstandig tot weigering dan wel intrekking te leiden.
Type feiten
Er is sprake van gedragingen die naar hun aard en ernst de vrees rechtvaardigen dat de aanwezigheid van de exploitant, leidinggevende of beheerder -als verantwoordelijke voor de exploitatie van het bedrijf of de activiteit- een bedreiging vormt voor de openbare orde, veiligheid of de kwaliteit van het woon- en leefklimaat in de buurt. Ook kan rekening worden gehouden met gedragingen die op zichzelf niet reeds als ernstig in vorenbedoelde zin worden beschouwd, maar die in samenhang met andere gedragingen een bepaald gedragspatroon opleveren dat voormelde vrees rechtvaardigt.
De omstandigheid of er een sanctie is opgelegd en de zwaarte van deze sanctie. Het is niet vereist dat er een sanctie is opgelegd om een feit mee te kunnen nemen in de beoordeling van het levensgedrag. Bij een sepot kan het feitencomplex informatie bevatten over de houding en het gedrag van de exploitant, de leidinggevende of beheerder die relevant is voor de toets op het levensgedrag. Het delict zelf zal niet worden meegenomen in de beoordeling, maar relevante informatie over houding en gedrag wel. Een dergelijk feitencomplex zal op zichzelf staand geen weigeringsgrond opleveren.
Voor horecabedrijven waar alcohol wordt geschonken worden alcoholgerelateerde feiten verzwaard mee.
Hardheidsclausule
Op grond van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht beslist de burgemeester over maatwerk in gevallen waarin deze beleidsregels niet of onvoldoende voorzien en waarbij toepassing van het beleid leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard.