Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4. › Paragraaf 4.3.

Artikel 4.3.2.

Ecologische waarde

Onderdeel van Beleidskader zonne- en windenergie 2023 – 2027

Zonneparken kunnen ook een kans bieden om de ecologische waarde van het landschap te versterken. Gezien de uitdagingen op het gebied van biodiversiteit willen we stimuleren dat deze kans zoveel mogelijk wordt benut. Op initiatief van de branchevereniging Holland Solar is de ‘Gedragscode Zon op Land’ opgesteld.28 Zie Gedragscode zon op land. Deze gedragscode is ondertekend door negen partijen, waaronder verschillende natuurorganisaties en de vereniging van omwonenden van energieprojecten. De gedragscode gaat uit van drie centrale principes, waaronder het ontwikkelen van zonneparken met oog voor de natuur en meerwaarde voor de omgeving. We sluiten zoveel mogelijk aan bij de uitgangspunten die in de gedragscode zijn opgenomen. Op enkele punten scherpen we deze aan. Op het gebied van ecologische waarde gelden daarmee minimaal de volgende uitgangspunten: In de gedragscode van Holland Solar is een ondergrens van 25% onbedekt oppervlak van het gebied opgenomen. Wij volgen dit maar expliciteren hierbij dat we hiermee bedoelen dat de ruimte tussen rijen zonnepanelen een onbedekte ruimte moet hebben van 25% van de lengte van een paneel (zie figuur 11). Het is dus niet de bedoeling dat het onbedekte oppervlak alleen aan de rand van het zonnepark gelegen is terwijl de panelen zelf dicht op elkaar staan. Onbedekt oppervlak met een andere functie voor het zonnepark, zoals voetpaden, tellen eveneens niet mee in het percentage. Ook bij een oost-westopstelling dient tussen elke rij minimaal 25% ruimte te worden behouden zodat wordt voorkomen dat ‘dakjes’ ontstaan. Deze maatregel heeft tot doel om de kwaliteit van de bodem zoveel mogelijk te behouden, door voldoende zonlicht en water toe te laten. Wanneer landschappelijke inpassing het toelaat is een verticale opstelling ook mogelijk gezien de beoogde voordelen voor de biodiversiteit en bodemkwaliteit. Figuur 11. Minimale afstand 25% van grootte zonnepaneel tussen rijen panelen. Naast de voorgenoemde maatregel geldt dat de locaties waar kleine zonneparken tot 10 hectare mogelijk zijn (zie paragraaf 4.2) tevens belangrijke gebieden zijn voor akkervogels. We hanteren daarom als aanvullende eis dat minimaal 10% van het planoppervlakte optimaal wordt ingericht en beheert voor akkervogels. Indien mogelijk kan dit worden gecombineerd met de 25% ruimte tussen rijen panelen. Bij voorkeur kiezen voor een natuurlijke afscheiding, zoals een sloot, haag, of houtwal van inheemse soorten. Zorg in het geval van een hekwerk voor een verbinding met het achterland. Bijvoorbeeld door openingen aan te brengen die de migratie van dieren mogelijk maakt in de vorm van dassentunnels en kleinwildtunnels. Dit is met name relevant wanneer een zonnepark wordt geplaatst in een gebied met hoge natuurwaarden of een corridorfunctie. Standaard dienen er specifieke natuurelementen aan het gebied toe te worden gevoegd (bijvoorbeeld poelen, bijenhotel, nestplaatsen). Om te voldoen aan de Wet Natuurbescherming dient te worden onderzocht of een zonnepark effect heeft op bijzondere dier- en plantensoorten. In hoeverre dit het geval is, zal per specifieke locatie verschillen. In het vegetatiebeheer wordt gestuurd op inheemse, kruidenrijke vegetaties. In de gedragscode van Hollands Solar is opgenomen dat er zo weinig frequent als mogelijk moet worden gemaaid. Weinig maaien kan voordelen hebben voor biodiversiteit, maar niet op alle soorten grond. Uit onderzoek is gebleken dat op voormalige landbouwgrond de bemeste bodem een grote belemmering is voor een hoge biodiversiteit van planten.29 Zie het onderzoek Verkenning van bodem en vegetatie in 25 zonneparken in Nederland: Eerste overzicht van de ligging van zonneparken in Nederland en stand van de kennis over het effect van zonneparken op de bodemkwaliteit van Wageningen University & Research. Slechts enkele planten zijn in staat om in zulke condities te groeien. Voor voormalige landbouwgrond is het juist van belang dat de voedselrijkdom afneemt. Dit kan door in de eerste jaren minimaal twee keer per jaar te maaien en af te voeren. Om een zonnepark goed te kunnen beheren is monitoring van de natuurwaarden van het gebied voorafgaand, tijdens de exploitatie, en na de opruiming wenslijk. Voor zonneparken van meer dan 5 hectaren stellen we monitoring daarom verplicht. De initiatiefnemer is verantwoordelijk voor het organiseren van de uitvoering van een nulmeting en opvolgende metingen voor monitoring, met een kennisinstelling of ecologisch bureau (bij voorkeur aangesloten bij Netwerk Groene Bureaus). Voor het monitoren van natuurwaarden in zonneparken dient het Meetprotocol biodiversiteit zonneparken te worden gevolgd.30 Meetprotocol biodiversiteit zonnevelden De initiatiefnemer stelt een aanleg- en beheerplan op waarin wordt beschreven hoe voorgaande punten worden geborgd. Het beheerplan dient te zien op de volledige looptijd van de vergunning van 30 jaar. In het proces van vergunningsverlening wordt dit plan beoordeeld door de gemeente (zie het stappenplan in bijlage II). Voor de beoordeling maken we gebruik van ecologische expertise, of door deze zelf in de organisatie te betrekken of door bijvoorbeeld advies te vragen aan natuurorganisaties als NMF Groningen of IVN. Het huidige beleid sluit aan wat er tot dusver bekend is op het gebied van biodiversiteit bij zonneparken.31 Zie bijvoorbeeld Literatuurstudie naar mogelijkheden voor een ecologische inrichting van zonneparken.  Er wordt echter nog volop onderzoek gedaan naar biodiversiteit in zonneparken. Op dit moment wordt er door verscheidene partijen gewerkt aan de ontwikkeling van het EcoCertified Solar Label.32 Zie Het EcoCertified Solar Label. Een eerste versie zal waarschijnlijk worden gepresenteerd in 2023. Indien een dergelijk label beschikbaar komt wordt de eis opgenomen dat de plannen voor een zonnepark voldoen aan de eisen voor het verkrijgen van het EcoCertified Solar Label.

Rechtspraak bij dit artikel