Sinds de jaren ‘70 wordt er in Nederland gewerkt aan het verbeteren van de jeugdhulp. In 1989 werd deze vanuit het rijk deels gedecentraliseerd naar provincies, gevolgd door de Wet op de Jeugdhulp in 2005 met Bureaus Jeugdhulp als toegangspoort. Een evaluatie in 2009 bracht meerdere structurele problemen aan het licht, waaronder een overbelasting van gespecialiseerde zorg, gebrekkige samenwerking, medicalisering van gedrag, lange wachtlijsten en versnipperde financiering.

Om deze knelpunten aan te pakken, is in 2015 de Jeugdwet ingevoerd. Hiermee werd de gehele jeugdhulp gedecentraliseerd naar gemeenten, met als doel een eenvoudiger, effectiever en meer preventiegericht stelsel, gericht op het versterken van de eigen kracht van jeugdigen en hun omgeving. Deze stap naar een pedagogische civil society2 Een gemeenschap die er voor iedereen anders uit kan zien, waarbij alle personen uit de omgeving van een gezin betrokken zijn bij het opvoeden en opgroeien van kinderen en jongeren, niet enkel de ouders/directe opvoeders (Nederlands Jeugdinstituut, NJI). maakt van de Jeugdwet niet alleen een organisatorische transitie, maar ook een inhoudelijke transformatie van het jeugdstelsel, gepaard gaand met een forse bezuiniging, toename van jeugdhulpaanbieders en doorverwijzingen via externe partijen zoals medici en rechters (evaluatie 2009).

Sinds de invoering is het voor gemeenten lastig gebleken om structureel te investeren in het jeugdbeleid, mede door oplopende kosten. Die stijgende kosten – onder andere door langduriger en zwaarder zorggebruik – maken duidelijk dat veel van de problemen uit de evaluatie van 2009 nog steeds actueel zijn. Anno nu, zien we dat kosten van jeugdhulp landelijk blijven stijgen, o.a. door toegenomen kosten per cliënt door langduriger gebruik van jeugdhulp en meer gebruik van zwaardere vormen van jeugdhulp. Anticiperend daarop zijn er landelijk en regionaal maatregelen getroffen, dan wel in voorbereiding. Deze worden onder andere in deel II van dit hoofdstuk toegelicht.