1. De grondroerder moet zich overtuigen van de plaats van alle reeds in het werk gelegen kabels of leidingen. Hiertoe moeten in het beoogde tracé (handmatig) proefsleuven gegraven worden. De grondroerder moet ervoor zorgen dat de gegevens van de gemaakte proefsleuven en de maatvoeringen van de daarin aangetroffen kabels of leidingen getoond kunnen worden aan de specialist of toezichthouder als daarom wordt verzocht.
2. Alle kabels of leidingen (dus inclusief de in- en uitgaande kabels of leidingen bij distributieof mutatiepunten en bovengrondse voorzieningen) moeten zodanig geplaatst worden dat het beheer van andere, reeds aanwezige, kabels of leidingen niet in gevaar wordt gebracht of zonder noodzaak wordt bemoeilijkt. De netbeheerder die hierin strijdig handelt, neemt op eigen kosten maatregelen ten aanzien van het betreffende onderdeel van zijn netwerk, waaronder zo nodig het verplaatsen daarvan, om aan de strijdigheid onverwijld een einde te maken.
3. Als tijdens de uitvoering afgeweken wordt van het ingestemde tracé (in horizontale of verticale zin) moet dit altijd vooraf goedgekeurd worden door de toezichthouder. De uitgangspunten in artikel 7.2 moeten ook toegepast worden om het alternatieve tracé te bepalen. De grondroerder stuurt daarna binnen vijf werkdagen een gewijzigde tracétekening met afwijkingsrapport naar de gemeente ten behoeve van het instemmingsdossier.
4. De netbeheerder moet ervoor zorgen dat zijn uit gebruik genomen kabels of leidingen zoveel als mogelijk worden opgeruimd (zie ook artikel 7.3).
5. Tijdelijk aan te brengen voorzieningen (zoals bijvoorbeeld damwanden, sleufbekisting enzovoort) ten behoeve van werkzaamheden in de openbare ruimte moeten de goedkeuring hebben van de specialist. Deze tijdelijke voorzieningen moeten na het voltooien van de werkzaamheden worden verwijderd, tenzij in overleg met de specialist anders wordt besloten.
6. Bij de aanleg van kabels of leidingen en voorzieningen nabij bomen of andere groenvoorzieningen moeten de bepalingen uit Hoofdstuk 9 van dit Handboek en uit de Verordening Leefomgeving strikt in acht worden genomen.
7. Alle te leggen kabels of leidingen moeten duidelijk zijn voorzien van een codering of label (of een bepaalde kleur hebben) waaruit blijkt wat de functie of wie de eigenaar van deze kabel of leiding is.
8. (Voorbereide) aansluitingen moeten zo veel mogelijk tegelijk met of voorafgaand aan de aanleg van het hoofdtracé aangelegd worden en haaks op het distributienetwerk om geen extra beslag te leggen op de ondergrondse ruimte.
9. Voorbereide aansluitingen, waarbij de voor de aansluiting bedoelde buis of kabel op de benodigde lengte in de openbare grond wordt opgeborgen (vooral bij CAI en FttX) moeten zo strak mogelijk worden opgerold, gebundeld en verticaal op de juiste diepte onder een beschermende voorziening evenwijdig aan en tegen de perceelgrens worden weggezet.
10. De exacte locaties van distributie- of mutatiepunten en bovengrondse voorzieningen moeten in overleg met de toezichthouder bepaald worden. Conform het bepaalde in het tweede en derde lid van dit artikel moet vooraf vastgesteld worden of de gekozen locatie vrij is van overige kabels of leidingen.
11. Bovengrondse voorzieningen moeten in overleg met de gemeente zoveel mogelijk uit het zicht (liefst inpandig of als het mogelijk is zelfs ondergronds) geplaatst worden of direct naast andere, reeds aanwezige, bovengrondse voorzieningen.
12. Bij plaatsing van bovengrondse voorzieningen in een straatprofiel moeten deze zoveel mogelijk langs gevels of in lijn met het bestaande straatmeubilair geplaatst worden.
13. Bij plaatsing van bovengrondse voorzieningen die beeldbepalend zijn, kan de gemeente nadere eisen stellen. Er kan bijvoorbeeld aanplant van extra groenvoorziening gewenst zijn om de bovengrondse voorziening zoveel als mogelijk aan het zicht te onttrekken. Dit wordt verzorgd door de gemeente en de kosten hiervoor worden als plantsoen op de straatwerkbon opgevoerd.
14. Bovengrondse voorzieningen moeten bij voorkeur voorzien worden van een anti graffiti voorziening (coating of strips).
15. Bij ondergrondse plaatsing moeten distributie- of mutatiepunten zodanig geplaatst worden dat het deksel een minimale dekking heeft van 0,50 m onder het maaiveld.
16. Het deksel van een distributie- of mutatiepunt dat op maaiveldniveau wordt geplaatst, moet minimaal voldoen aan verkeersklasse D400(NEN-EN 124) en op gelijke hoogte met de aanwezige bestrating of (berm)verharding geplaatst worden. Aanwezige elementenverharding rond het distributie- of mutatiepunt moet geknipt worden in het bestaande verband.
17. Nadat alle werkzaamheden gereed zijn moet de grondroerder de ligging gegevens van de kabels of leidingen, inclusief (voorbereide) aansluitingen, distributie- of mutatiepunten en bovengrondse voorzieningen (digitaal) inmeten en deze op een revisietekening digitaal beschikbaar hebben voor raadpleging door derden (conform WIBON).
Hoofdstuk › Paragraaf 8.
Artikel 8.7
Kabel- of leidingwerkzaamheden
Onderdeel van Handboek kabels en leidingen Midden-Drenthe