In sommige situaties komt het voor dat een cliënt geen gebruik kan maken van een handbewogen rolstoel, terwijl er wel een wens is om zich zelfstandig te verplaatsen (binnens- en/ of buitenshuis).
Het gebruiken van een duwwandelwagen wordt in dergelijke situaties niet als adequate voorziening beschouwd. Indien er sprake is van een substantiële vervoersbehoefte kan de cliënt in aanmerking komen voor een elektrische rolstoel, als blijkt dat:
Het gebruik van CVV en/ of financiële tegemoetkoming in het gebruik van de (eigen) auto en/of (rolstoel)taxi niet afdoende is; en
De cliënt in staat is veilig de rolstoel te besturen en zelfstandig deel te nemen aan het verkeer; en
Er een mogelijkheid is voor een geschikte overdekte inbraakveilige stalling om de rolstoel te stallen en op te laden of deze redelijkerwijs te creëren is; en
Er sprake is van een gemiddeld gebruik van minimaal 1 x per week. Een elektrische rolstoel buitenshuis biedt de cliënt de mogelijkheid om mee te blijven doen aan het leven van alle dag, waaronder het behoud van sociale netwerken. Dit betekent dat ervan uitgegaan moet worden dat de elektrische rolstoel buitenshuis gemiddeld minimaal 1 x per week gebruikt wordt.
In een enkele situatie kan het voorkomen dat de cliënt de elektrische rolstoel niet zelfstandig en veilig kan besturen en gebruiken, terwijl de begeleider niet in staat is om een handbewogen rolstoel (eventueel met een aandrijfunit) te duwen. Een elektrische rolstoel met begeleidersbesturing is in een dergelijke situatie mogelijk een passende oplossing.
Bij het verstrekken van een hulpmiddel aan een cliënt die in een Wlz-instelling verblijft en een hulpmiddel in het kader van de Wmo 2015 nodig heeft, spelen andere overwegingen ook nog een rol. Uit jurisprudentie blijkt namelijk dat bij Wlz-cliënten rekening gehouden kan worden met de agogische taak van personeel van de instelling en gezinsleden, met name bij gezinsvervangende tehuizen. Een cliënt moet zij uiteraard op de eigen kamer zelfstandig kunnen verplaatsen, indien dit mogelijk is. Indien de cliënt zich echter op de eigen kamer zelfstandig kan verplaatsen (met behulp van een rollator en/of rolstoel), maar daar buiten niet, is het niet van zelfsprekend dat een elektrische rolstoel of scootmobiel wordt verstrekt. Indien de cliënt geen vervoersbehoefte buitenshuis heeft, wordt verwacht dat personeel van de instelling de cliënt hierbij ondersteunt door de rolstoel te duwen. Pas als er sprake is van een vervoersbehoefte buitenshuis en de cliënt op een veilige manier aan het verkeer kan deelnemen, kan een elektrische rolstoel of scootmobiel overwogen worden.
Hoofdstuk 5 › Paragraaf 5.2
Artikel 5.2.2
Elektrische rolstoelen, scootmobielen en/of driewielfietsen
Onderdeel van Protocol zelfredzaamheid en participatie gemeente Beekdaelen 2019