Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4

Artikel 4.9

Intrekkingsgronden

Onderdeel van Regeling parkeerregulering Den Haag 2026

1.. Het college kan een parkeervergunning intrekken wanneer: de vergunninghouder niet meer woonachtig is of geen beroep of bedrijf meer uitoefent in het gebied, waarvoor de vergunning is verleend; er zich een wijziging voordoet in een van de omstandigheden die relevant waren voor het verlenen van de vergunning; voor het betreffende gebied het stelsel van vergunningen komt te vervallen; de vergunninghouder niet of niet tijdig aan zijn betalingsverplichting voor zijn vergunning heeft voldaan; de vergunninghouder handelt in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften; blijkt dat bij de aanvraag van de vergunning onjuiste gegevens zijn verstrekt; er sprake is van redenen van openbaar belang; of wanneer op grond van een verandering van omstandigheden of inzichten, opgetreden na het verlenen van de vergunning, moet worden aangenomen dat intrekking of wijziging wordt gevorderd door het belang van de verkeersveiligheid of het gemeentelijk beleid betreffende parkeerregulering. 2.. In aanvulling op het eerste lid trekt het college een parkeervergunning in als de vergunninghouder daar om verzoekt.

Rechtspraak bij dit artikel