2.3.1 Aanvraag
Jeugdwet, Wmo 2015, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Awb
Na de melding van uw hulpvraag en het gesprek met een medewerker, kunt u een aanvraag doen. Dat gaat volgens de regels die daarvoor gelden. Het verslag van het gesprek en een eventueel plan zijn de basis voor het beoordelen van de aanvraag. U dient de vraag schriftelijk of digitaal in. Met de aanvraag bepalen wij of wij u hulp verlenen en in welke vorm. Voor sommige vormen van hulp kunnen de melding en de aanvraag tegelijk worden gedaan. Ook kunnen wij bepalen dat u de aanvraag doet met een aanvraagformulier. Voor de Wmo en de Jeugdwet kan een ondertekend verslag van het onderzoek ook gelden als aanvraagformulier.
Voordat wij een besluit nemen op uw aanvraag controleren wij of we voldoende gegevens van u hebben ontvangen om een goed besluit te nemen. Missen we iets? Dan ontvangt u van ons een brief waarin wij u vragen om de gegevens alsnog binnen 4 weken aan ons te geven. Doet u dat niet? Dan kunnen wij besluiten uw aanvraag niet te behandelen.
2.3.2 Aanvragen van een voorziening
Jeugdwet, Wmo 2015, PW, IOAW, IOAZ, Wgs
Vraagt u om een maatwerkvoorziening (Wmo 2015), een individuele voorziening (Jeugdwet) of een andere voorziening (PW, IOAW, IOAZ of Wgs)? Dan kunnen wij deze hulp toekennen als:
De voorziening is noodzakelijk om (één van) de doelen te bereiken uit de wetten in de inleiding;
U het gewenste effect niet op eigen kracht kan bereiken, ook niet met:
hulp van huisgenoten;
hulp uit uw sociale netwerk;
hulp van andere voorzieningen of organisaties.
De voorziening past bij het gewenste effect en uw persoonlijke situatie.
Als één van de voorwaarden of weigeringsgronden van deze verordening van toepassing is, dan kunnen wij de voorziening niet toekennen.
De voorziening moet voldoende zijn in inzet en kwaliteit, zodat u het gewenste effect kunt bereiken. Dit betekent bijvoorbeeld dat de voorziening niet duurder of luxer is dan nodig, en duurt niet langer dan nodig. Wij kiezen daarom de goedkoopst passende voorziening, bij voorkeur met een bewezen effect.
We kunnen een voorziening weigeren als u iets (niet) gedaan heeft waardoor uw hulpvraag is ontstaan, terwijl u deze had kunnen voorkomen. Dit lid is niet van toepassing voor de Jeugdwet.
2.3.3 Beoordelen van uw aanvraag
Jeugdwet, Wmo 2015, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Awb
Bij het beoordelen van uw aanvraag kijken wij naar alle gegevens die belangrijk zijn. Het gaat bijvoorbeeld om gegevens over:
Uw behoeften;
Uw (on)mogelijkheden;
Uw persoonlijke situatie;
De mogelijkheden van uw sociale netwerk, andere organisaties en van de gemeente.
Om te bepalen of wij hulp verlenen, nemen we de volgende stappen:
Stap 1: Wij stellen vast wat uw hulpvraag is.
Stap 2: Wij bepalen voor welke belemmeringen er mogelijk hulp nodig is.
Stap 3: Wij bepalen welke hulp en hoeveel hulp u nodig heeft.
Stap 4: Wij onderzoeken wat u zelf kunt doen om uw probleem op te lossen (eigen kracht), eventueel met gebruikelijke hulp, hulp uit uw sociale netwerk/omgeving en van andere algemene of voorliggende voorzieningen of organisaties.
Stap 5: Wij bepalen of en welke extra hulp u nodig heeft om u in staat te stellen om zelfredzaam te zijn en mee te kunnen doen in de maatschappij.
We kijken ook naar de manier waarop een individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen.
Bij het intakegesprek voor een uitkering voor levensonderhoud kijken wij eerst hoe u zo snel mogelijk betaald werk kunt vinden. Hiervoor wordt een plan van aanpak opgesteld.
Voor de Jeugdwet kijken wij ook naar het woonplaatsbeginsel.
Pleegouders kunnen voor ondersteuning bij de pleegzorgorganisatie terecht.
2.3.4 Advies
Jeugdwet, Wmo 2015, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Awb
Bij elke stap, zoals in artikel 2.3.3 wordt genoemd, zorgen wij dat de medewerker die uw melding of aanvraag behandelt de kennis en deskundigheid heeft om een afgewogen besluit te nemen. Als dit niet het geval is, dan kunnen wij een (externe) deskundige inzetten voor advies. Dit advies gebruiken wij bij de beoordeling van uw aanvraag. We laten u weten welke aanvullende kennis en deskundigheid nodig is en wanneer wij die inzetten.
2.3.5 Beslistermijn
Jeugdwet, Wmo 2015, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Awb
De gemeente beslist zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen acht weken, nadat wij uw aanvraag hebben ontvangen. Er zijn een aantal bijzonderheden voor sommige wetten:
Gaat het om een aanvraag op grond van de Wmo, dan hebben wij zes weken voor het onderzoek na uw melding. Vervolgens beslissen we binnen twee weken na de aanvraag.
Gaat het om een aanvraag voor schuldhulpverlening, dan is de beslistermijn acht weken gerekend vanaf het eerste gesprek.
Wij hanteren de datum van melding voor een Bbz- of IOAW/IOAZ-uitkering ook als meldingsdatum voor een bijstandsaanvraag als de uitkering wordt afgewezen en de bijstandsaanvraag direct wordt ingediend.
De beslistermijn kan schriftelijk worden verlengd als u niet voldoende gegevens heeft gegeven of als wij uw aanvraag niet binnen de termijn kunnen behandelen. Als we de beslistermijn verlengen, brengen we u hiervan op de hoogte.
2.3.6 Voorwaarden en weigeringsgronden
Wmo 2015
Wij geven u de voorziening alleen als deze:
veilig is voor uzelf en uw omgeving;
geen gezondheidsrisico’s geeft;
niet tegenwerkt bij uw herstel (niet anti-revalideren).
Wij houden hierbij rekening met uw beperkingen.
Wij verstrekken geen voorziening:
Als u uw probleem kunt oplossen met een andere wet;
Als u de gevraagde voorziening zelf koopt voordat u een melding doet bij de gemeente. Er wordt alleen een uitzondering gemaakt als er sprake was van een acute noodsituatie, waardoor u niet in staat was om eerst contact te zoeken met ons. Wij beoordelen deze uitzonderingssituaties als maatwerk.
Als u de gevraagde voorziening zelf koopt ná de melding en vóór de datum van ons besluit. Deze regel geldt niet als wij:
daarvoor schriftelijk toestemming hebben gegeven;
of de noodzaak en de passendheid nog kan worden vastgesteld voor de gevraagde voorziening.
Als u de gevraagde voorziening al eerder van ons heeft gekregen en de normale afschrijvingstermijn van die voorziening nog niet voorbij is. Dit geldt niet als de voorziening verloren is gegaan terwijl dit niet uw schuld is. Wij kunnen u ook de restwaarde van de voorziening die verloren is gegaan (gedeeltelijk) vergoeden.
Als de voorziening niet specifiek op u gericht is;
Als de voorziening niet nodig was geweest wanneer u rekening had gehouden met bestaande en bekende beperkingen en de te verwachten ontwikkelingen daarvan;
Als u recht heeft op zorg met verblijf op grond van de Wet langdurige zorg of waarschijnlijk daarvoor in aanmerking komt en niet meewerkt aan het verkrijgen van een besluit daarover. Deze regel geldt niet als artikel 8.6a van de Wmo 2015 van toepassing is.
De voorziening niet langdurig noodzakelijk is, tenzij het gaat om hulp bij het huishouden of begeleiding.
Als we een vervoersvoorziening geven, kijken we alleen naar de verplaatsingen in uw directe woon- en leefomgeving. De vervoersvoorziening voor het collectief vervoer geldt uit maximaal 3.000 kilometer per jaar.
We geven u geen woonvoorziening als:
uw beperkingen komen:
door de aard van de in de woning gebruikte materialen;
door de slechte staat van onderhoud;
doordat de woning niet voldoet aan de geldende wettelijke eisen.
u uw hoofdverblijf niet heeft of niet zal hebben in de woning waarvoor u de melding doet;
u woont in een vakantiewoning, hotel, pension, klooster, trekkerswoning of een tweede woning. We kunnen dan wel een financiële tegemoetkoming voor verhuis- en herinrichtingskosten verstrekken;
het gaat om voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten van het gebouw waar u woont;
de noodzaak voor de voorziening komt door een verhuizing
zonder dat er aanleiding was om te verhuizen op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid of participatie, en
zonder dat er een belangrijke reden voor de verhuizing was.
u niet verhuist naar de meest geschikte woning die beschikbaar is voor uw beperkingen. Deze regel geldt niet als wij hiervoor vooraf schriftelijk toestemming hebben gegeven;
u een indicatie heeft voor verhuizing naar een zorginstelling op grond van de Wet langdurige zorg;
u de voorziening in het geval van nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige extra kosten kan meenemen.
2.3.7 Voorwaarden individuele voorzieningen
Jeugdwet
U kunt alleen een individuele voorziening krijgen als u uw hulpvraag niet zelf kunt oplossen:
binnen uw eigen mogelijkheden. Hieronder valt in ieder geval:
gebruikelijke hulp van ouders en andere personen uit uw sociale netwerk;
een aanvullende verzekering die de gevraagde voorziening dekt.
door gebruik te maken van een algemene voorziening;
door gebruik te maken van een andere voorziening.
Heeft uw aanvraag te maken met kosten voor jeugdhulp die u al heeft gemaakt vóór de aanvraag? Dan kunnen wij daar alleen een voorziening voor geven als:
er op het moment van de aanvraag nog steeds sprake is van een crisissituatie waarvoor u de hulp heeft ingezet, en;
we achteraf nog kunnen beoordelen of de voorziening noodzakelijk en passend is, en;
we de gemaakte kosten achteraf nog kunnen beoordelen.
Deze voorziening (zoals genoemd in lid 2) kan alleen gaan over kosten die zijn gemaakt in maximaal drie maanden vóór de aanvraag.
2.3.8Beoordeling aanwezigheid gebruikelijke hulp na melding
Wmo 2015
Wij geven geen maatwerkvoorziening als u het probleem waarvoor u hulp vraagt zelf kunt verminderen of oplossen:
op uw eigen kracht;
met gebruikelijke hulp van huisgenoten;
met mantelzorg of hulp van uw sociale netwerk;
door gebruik te maken van algemene voorzieningen;
door gebruik te maken van algemeen gebruikelijke zaken of diensten.
Bij ons onderzoek kijken wij of er gebruikelijke hulp van huisgenoten beschikbaar is.
Wanneer wij uw huisgenoten vragen om mee te werken aan dit onderzoek of heronderzoek, zijn zij verplicht dit te doen.
Tijdens dit onderzoek houden wij rekening met:
de samenstelling van uw huishouden en wie uw huisgenoot of huisgenoten zijn;
de relatie tussen u en uw huisgenoten;
de inhoud, de omvang en moeilijkheid van uw ondersteuningsbehoefte;
de beschikbaarheid en de praktische, lichamelijke en geestelijke mogelijkheden van uw huisgenoot of huisgenoten om u te ondersteunen in zelfredzaamheid en participatie en het meedoen in de samenleving;
de manier waarop uw huisgenoot of huisgenoten u voorafgaand aan de melding hielpen bij zelfredzaamheid en participatie en het meedoen in de samenleving;
andere omstandigheden die bepalen of uw huisgenoot of huisgenoten u kunnen helpen bij zelfredzaamheid en participatie en het meedoen in de samenleving.
2.3.9 Eigen kracht en (boven)gebruikelijke hulp
Jeugdwet
Jeugdigen of ouders krijgen pas een individuele voorziening als zij hun hulpvraag niet zelf kunnen oplossen met hun eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen (problemen herkennen en een plan maken om die op te lossen). Dit noemen we ook wel eigen kracht. Daarmee bedoelen wij in ieder geval:
gebruikelijke hulp van ouders en/of andere verzorgers of opvoeders;
bovengebruikelijke hulp van ouders, voor zover zij beschikbaar zijn, de noodzakelijke hulp kunnen bieden, niet overbelast raken en er geen financiële problemen in het gezin ontstaan door het bieden van de bovengebruikelijke hulp;
hulp vanuit het sociale netwerk;
een aanvullende zorgverzekering die de gevraagde voorziening (deels) vergoed.
Gebruikelijke hulp is de hulp die wij normaal mogen verwachten van ouders of andere verzorgers/opvoeders. Ouders zijn verplicht hun kinderen te verzorgen, op te voeden, te begeleiden en toezicht te houden. Dat geldt ook als het kind een ziekte, beperking of andere problematiek heeft. Als één van de ouders de gebruikelijke hulp niet kan bieden, neemt de andere ouder de gebruikelijke hulp over. Ook als ouders gescheiden zijn. Wij houden ook rekening met de gebruikelijke hulp van de ouder waar de jeugdige niet woont.
Om vast te stellen of er sprake is van gebruikelijke hulp beoordelen wij of de gevraagde hulp verder gaat dan de hulp die een jeugdige van dezelfde leeftijd zonder ziekte, aandoening, beperking of andere problematiek nodig heeft. Wij houden hierbij rekening met:
de leeftijd van de jeugdige;
hoeveel zorg, begeleiding en toezicht een jeugdige van die leeftijd nodig heeft bij activiteiten en handelingen;
de soort en de duur van de hulp en hoe intensief de ondersteuning van de jeugdige moet zijn;
of de hulp goed te plannen is;
de behoeften en mogelijkheden van de jeugdige.
Als er sprake is van gebruikelijke hulp verstrekken wij geen individuele voorziening. Hierop kan (tijdelijk) een uitzondering worden gemaakt als de ouders door (dreigende) overbelasting de gebruikelijke hulp niet kunnen bieden. Er moet dan een duidelijk verband zijn tussen de (dreigende) overbelasting en de hulp aan de jeugdige.
Gaat het om hulp die verder gaat dan de gebruikelijke hulp, dan zijn de ouders in eerste instantie nog steeds verantwoordelijk voor het bieden van deze bovengebruikelijke hulp. Wij beoordelen dan of van ouders verwacht mag worden dat ze deze hulp bieden, zoals in lid 1 staat geschreven. Wij kijken dan naar kortdurende en langdurende situaties:
Kortdurend: er is uitzicht op herstel van het (gezondheids-)probleem en de daarmee samenhangende zelfredzaamheid van de jeugdige. Het gaat hierbij over een aaneengesloten éénmalige periode van maximaal drie maanden in één kalenderjaar.
Langdurend: het gaat om langdurige situaties waarbij naar verwachting de jeugdhulp langer dan drie maanden nodig is of voor meerdere periodes van drie maanden in één kalenderjaar.
Wij verwachten van ouders dat zij in kortdurende situaties de bovengebruikelijke hulp bieden, tenzij dit gezien de soort hulp niet redelijk is of er (dreigende) overbelasting is. Er moet dan wel een verband zijn tussen de (dreigende) overbelasting en de hulp aan de jeugdige.
Bij de beoordeling in langdurige situaties houden wij rekening met de volgende onderdelen:
de soort en de duur van de hulp en hoe intensief de ondersteuning van de jeugdige moet zijn;
of de inzet van de hulp goed te plannen is;
het lichamelijk en geestelijk welzijn van de ouders;
hoe ouders omgaan met de problemen van de jeugdige;
vaardigheden van de ouders om zelf hulp te bieden (bijvoorbeeld medische kennis);
of er sprake is van problematiek bij de ouders, zoals relationele problemen of schulden;
welke verplichtingen de ouders hebben, bijvoorbeeld voor werk en sociale verplichtingen;
het belang van ouders om te kunnen werken en zo geld te verdienen en het eventueel ontstaan van financiële problemen;
de woonsituatie;
de samenstelling van het gezin en de relatie tussen de gezinsleden (bijvoorbeeld of er sprake is van een wettelijke stiefouder of niet);
is er een sociaal netwerk en zo ja, kan het sociaal netwerk de ouders of de jeugdige helpen;
overige individuele omstandigheden die door jeugdige en ouders worden benoemd.
Als bovengenoemde onderdelen geen problemen geven voor de beschikbaarheid of draagkracht van ouders, verwachten wij dat zij de bovengebruikelijke hulp (eventueel deels) verlenen. Wij verstrekken dan geen individuele voorziening.
Bij (dreigende) overbelasting geldt nog het volgende:
Er moet een verband zijn tussen de overbelasting en de zorg aan de jeugdige.
Als de overbelasting komt door bijvoorbeeld spanningen door het werk (bijvoorbeeld door te veel uren werken of stress). Of door andere oorzaken die niet ontstaan door de zorg van de jeugdige, moet de ouder eerst een oplossing zoeken in de oorzaak van die spanningen.
Bij een aanvraag voor een individuele voorziening tot jeugdhulp bekijken wij wat wordt gedaan om die spanningen te verminderen.
Als de (dreigende) overbelasting kan worden verminderd door het herinrichten van het werk of andere sociale/maatschappelijke activiteiten wordt dit eerst van de ouder verwacht.
Het verlenen van hulp aan het jeugdige gaat voor op sociale/maatschappelijke activiteiten.
Een pgb voor het verlenen van hulp aan een jeugdige door een ouder wordt gestopt als er sprake is van (dreigende) overbelasting. Een andere zorgverlener moet het verlenen van hulp overnemen om de overbelasting te stoppen.
Als ouders steun kunnen krijgen van het sociale netwerk voor het bieden van ondersteuning bij de benodigde hulp aan de jeugdige, dan verwachten wij van hen dat ze hier gebruik van maken. De ondersteuning die het sociale netwerk biedt, valt onder de eigen kracht. Wij verstrekken hiervoor geen individuele voorziening.
We verwachten van ouder(s) dat zij het belang van hun kind voor het belang van hun (werk)carrière stellen, mits dit geen financiële problemen oplevert.
Als de jeugdige en/of de ouders een aanvullende zorgverzekering heeft/hebben die de benodigde hulp (deels) vergoedt, wordt van ouders verwacht dat zij deze aanspreken. Wij verstrekken dan geen individuele voorziening tot jeugdhulp of alleen een aanvullende voorziening voor het gedeelte dat niet wordt vergoed.
Hoofdstuk 2
Artikel 2.3
De aanvraag
Onderdeel van Integrale Verordening Sociaal Domein gemeente Sluis 2026