Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4. › Paragraaf 4.1

Artikel 4.1.1

Opsporings- en vervolgingsbeleid

Onderdeel van Damoclesbeleid gemeente Vlaardingen 2026

De Opiumwet maakt onderscheid tussen verdovende middelen met een onaanvaardbaar risico voor de volksgezondheid (harddrugs – lijst I) en andere middelen (softdrugs – lijst II), waar sinds 1 januari 2023 lachgas aan is toegevoegd. Sinds 1 juli 2025 is lijst IA toegevoegd, te weten stofgroepen waarvan de chemische structuur is afgeleid van een aantal middelen van lijst I van de Opiumwet. Voor het opsporings- en vervolgingsbeleid sluiten deze beleidsregels aan bij de ‘Aanwijzing Opiumwet’ van het College van procureurs-generaal van het OM2Stcr. 2015, nr. 5391. Volgens deze Aanwijzing is een hoeveelheid harddrugs van maximaal 0,5 gram (of 0,5 milliliter, 1 pil, 1 bolletje, 1 ampul of 1 wikkel) en een hoeveelheid softdrugs van maximaal 5 gram een hoeveelheid bestemd voor eigen gebruik. Voor GHB geldt 5 ml als gemiddelde consumptie-eenheid. Voor de substanties behorende bij de stofgroepen vermeld op lijst IA worden dezelfde hoeveelheden aangehouden, met een aantal uitzonderingen. Uitzondering geldt voor substanties die zijn afgeleid van de op lijst IA vermelde stofgroep 4-aminopiperidine, oftewel de fentanyl-achtigen. Voor fentanyl-achtigen is het uitgangspunt voor een consumptie-eenheid 2 milligram. Bij het overschrijden van bovengenoemde hoeveelheden is in beginsel de aanname dat de drugs en stofgroepen (mede) bestemd zijn voor verkoop, aflevering of verstrekking. De betrokkene moet in dat geval het tegendeel aannemelijk maken. Als betrokkene daar niet in slaagt, dan is de burgemeester, op grond van artikel 13b, eerste lid, onder a, Opiumwet bevoegd om, ten aanzien van het pand, een last onder bestuursdwang op te leggen. NB. Het voorgaande geldt ook bij het aantreffen van een in werking zijnde hennepkwekerij met meer dan 5 planten of een in werking zijnde productielocatie van (synthetische)drugs.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel