Van een voorbereidingshandeling in de zin van artikel 13b, eerste lid, onder b, Opiumwet, is sprake als in een woning of een lokaal of een daarbij behorend erf, voorwerpen of stoffen voorhanden zijn, die op zichzelf bezien legaal zijn, maar waarvan de betrokkene weet of ernstige redenen heeft om te vermoeden dat deze bestemd zijn om hetzij harddrugs, hetzij softdrugs – kort gezegd – te produceren.
De aangetroffen situatie c.q. de aangetroffen voorwerpen en stoffen moeten van dien aard zijn dat het redelijkerwijs aannemelijk is dat deze voor het plegen van strafbare voorbereidingshandelingen gebruikt worden. Dat vereist een bestuurlijke beoordeling, te baseren op de door de politie vastgestelde feitelijke omstandigheden. Het gaat bijvoorbeeld om de ter plekke aangetroffen situatie, de aard en de hoeveelheid van de in beslag genomen stof, de aangetroffen voorwerpen, stoffen in onderlinge combinatie en andere uit onderzoek blijkende feitelijkheden, zoals resultaten van ingezette bijzondere opsporingsbevoegdheden. Bij deze beoordeling is het mogelijk de ‘Aanwijzing Opiumwet’ (o.a. paragraaf 3.2.1.) te betrekken, zoals bij voorbereidingshandelingen ten behoeve van een hennepkwekerij. Bij een hennepkwekerij vindt waardering van het beroeps- of bedrijfsmatige karakter plaats aan de hand van het beoogde aantal planten, de mate van de professionaliteit en het doel van de teelt.
Uit de rechtspraak volgt dat het voor de uitoefening van de bevoegdheid van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder b, Opiumwet, niet nodig is dat alle aangetroffen stoffen en voorwerpen tegelijk geschikt zijn voor het opzetten van een drugsproductiepunt. Ook als slechts een deel van die benodigde voorwerpen voorhanden zijn, kan de burgemeester bevoegd zijn handhavend op te treden. De voorhanden voorwerpen moeten wel daartoe bestemd zijn3ABRvS 26 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:617.
Voorts is voor het bestaan van de bevoegdheid niet vereist dat de betrokkene zelf weet, dan wel een ernstig vermoeden heeft, dat de aanwezige stoffen of voorwerpen bestemd zijn voor het bereiden van drugs4ABRvS 31 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2523. De burgemeester is bevoegd indien, op basis van de feitelijke situatie, voldoende aannemelijk kan worden gemaakt dat de aanwezige voorwerpen, waarvan men weet of ernstig vermoed, bestemd zijn voor – kort gezegd – het bereiden van verdovende middelen.
NB. Of de betrokkene wetenschap had en of er sprake is van verwijtbaar handelen, kan wel relevant zijn bij de vraag of de burgemeester van zijn sluitingsbevoegdheid gebruik mag maken.
Hoofdstuk 4. › Paragraaf 4.1
Artikel 4.1.2
Voorbereidingshandeling
Onderdeel van Damoclesbeleid gemeente Vlaardingen 2026