Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4. › Paragraaf 4.2

Artikel 4.2.1

Noodzakelijkheid

Onderdeel van Damoclesbeleid gemeente Vlaardingen 2026

De aard en de ernst van de overtreding liggen ten grondslag aan het beoordelen van de noodzakelijkheid om, ter bescherming van het woon- en leefklimaat en voor het herstel van de openbare orde, een pand te sluiten. Het doel is daarmee het onttrekken van het pand aan het drugscircuit. Dat verdovende middelen feitelijk in of vanuit het pand zijn verhandeld, blijkt bijvoorbeeld uit meldingen bij de politie over mogelijke handel vanuit het pand, verklaringen van buurtbewoners of het aantreffen van attributen die duiden op handel vanuit het pand (i.e. gripzakjes, ponypacks en/of een (grammen)weegschaal). Bij geen of weinig aanwijzingen dat in of vanuit het pand verdovende middelen zijn verhandeld, moet de burgemeester – bij het gestelde standpunt dat van dergelijke handel wél sprake is – nader onderbouwen waarom dat het geval is. Als de burgemeester daar niet of onvoldoende in slaagt, is er sprake van geen of een mindere mate van overlast in de omgeving van het pand en is de openbare orde in mindere mate of niet verstoord. De Afdeling vindt in dit soort gevallen een sluiting van meer dan zes maanden in beginsel onevenredig. Het is mogelijk dat de noodzaak tot het sluiten van het pand ontbreekt. Dit kan als er, naast aanwijzingen dat verdovende middelen vanuit het pand zijn verhandeld, ook andere omstandigheden ontbreken die, volgens de overzichtsuitspraak, bij de beoordeling van de noodzaak van de sluiting van belang zijn. Voorbeelden zijn de omstandigheid dat het gaat om harddrugs, een recidivesituatie en de ligging van een pand in een voor drugscriminaliteit kwetsbare wijk. Wel kan er, afhankelijk van de omstandigheid van het geval, aanleiding zijn voor het opleggen van een minder verstrekkende maatregel, zoals een last onder dwangsom of een waarschuwing.

Rechtspraak bij dit artikel