1.. De voorzitter kan omtrent het in de vergadering behandelde en omtrent de inhoud van stukken, welke aan de commissie worden overlegd, geheimhouding opleggen.

2.. De geheimhouding wordt in acht genomen, totdat de voorzitter haar opheft, door hen die bij de behandeling aanwezig waren alswel door hen die op andere wijze van het behandelde en van de stukken kennis namen.