Naar hoofdinhoud

Artikel 8:

Participatie

Onderdeel van Verordening Participatiewet gemeente Blaricum 2025

De HBEL-gemeenten (Huizen, Blaricum, Eemnes, Laren) doen hun best om personen zelfredzaam te maken. Het is de bedoeling dat deze personen zo min mogelijk inkomenssteun van de overheid nodig hebben en dat ze hun talenten en kwaliteiten kunnen inzetten voor de maatschappij. 8.1 Kernwaarden gemeentelijk beleid Iedereen doet mee. Het college ondersteunt waar nodig. Bij deze ondersteuning houdt het college rekening met de talenten, mogelijkheden en persoonlijke situatie van de persoon. Hierdoor kan de ondersteuning per persoon verschillen (maatwerk). De ondersteuning is de goedkoopste van alle passende oplossingen. Betaald werk gaat voor onbetaald werk. 8.2 Uitgangspunten Onbetaald werk in alle vormen – zoals vrijwilligerswerk - kan een opstap zijn naar betaald werk. Als een persoon niet meewerkt in de periode dat hij/zij verplicht moet re-integreren, dan kan het college de ondersteuning verplichten. De HBEL-gemeenten werken aan een arbeidsmarkt die iedereen kansen biedt. De verwachtingen die het college en de personen van elkaar hebben, zijn duidelijk. Het college houdt rekening met concurrentieverhoudingen en verdringing op de arbeidsmarkt. 8.3 Doelgroep Het college ondersteunt een aantal groepen bij hun zoektocht naar werk. Het gaat om personen met een gemeentelijke uitkering voor levensonderhoud of een ANW-uitkering, een jongere partner van een persoon met een aanvullende inkomensvoorziening op de AOW-uitkering (AIO-uitkering), personen die geen ondersteuning kunnen krijgen van andere instanties of werkgevers, en enkele andere specifieke groepen die in artikel 7 van de Participatiewet worden genoemd. De ondersteuning van het college is bedoeld voor personen die zich nog kunnen ontwikkelen richting de arbeidsmarkt. Daaronder vallen ook personen met algemene bijstand die moeten inburgeren. 8.4 Samenwerking Het college werkt samen met regiogemeenten, het UWV, werkgevers, onderwijsinstellingen en maatschappelijke instellingen uit de regio om personen te helpen om sociaal en economisch zelfredzaam te worden. Het college ondersteunt werkgevers als zij personen uit de doelgroep van het college werk willen aanbieden. 8.5 Budget Het college kan voor de verschillende soorten voorzieningen een budgetplafond vaststellen. Bijvoorbeeld als dat nodig is om de financiële risico’s voor het college te beperken. Een budgetplafond is het maximale bedrag dat het college aan een bepaalde soort voorziening per kalenderjaar kan uitgeven. Als dit budgetplafond bereikt is, geeft het college geen voorziening meer waarvoor dit budgetplafond geldt, tenzij dit anders in de wet staat. Het college stelt een budgetplafond voorafgaand aan het kalenderjaar vast. 8.6 Voorzieningen - werk (economische zelfredzaamheid) Het doel is om de kansen op de arbeidsmarkt van de persoon te vergroten, zodat deze persoon voor langere tijd betaald werk kan vinden. Een persoon kan ondersteuning naar werk krijgen via een voorziening, zoals: een proefplaatsing; een detacheringsbaan; beschut werken (regionaal) leer-werktraject; loonkostensubsidie; vrijwilligerswerk. Een persoon kan ook ondersteuning naar werk krijgen via een instrument, zoals: training; scholing; persoonlijke (intensieve) ondersteuning bij werk; inzet van een talentscan; beschikbaarheid van arbeidsmarktinformatie; een banenmarkt; nazorg. Het college beoordeelt: welke voorziening en/of welk instrument zinvol is/zijn; hoelang deze voorziening en/of dit instrument wordt/worden ingezet. Na de beoordeling maakt het college samen met de persoon afspraken. Deze worden schriftelijk vastgelegd in een plan van aanpak. 8.6.1 Specifieke voorwaarden voor een voorziening of instrument werk Proefplaatsing: Het college kan een persoon, bij wijze van proef, de kans geven om met behoud van uitkering bij een werkgever te werken. Deze persoon heeft de werkzaamheden nog niet eerder voor deze werkgever uitgevoerd, zonder een beloning te ontvangen. Het doel is om werkervaring op te doen in een specifieke functie. De proefplaatsing duurt maximaal 2 maanden. Verlenging met maximaal 4 maanden is mogelijk. In 2 maanden moet duidelijk zijn of de persoon geschikt is voor de functie. Een evaluatie door de werkgever, het college en de persoon zelf bepaalt of een verlenging nodig is. Dit is maatwerk. Als na de proefplaatsing blijkt dat de persoon geschikt is, krijgt die een dienstverband van minimaal 6 maanden. Als de persoon ziek is, dan telt de ziekteperiode niet mee voor de maximale periode. Afspraken over onder andere doelen, werkzaamheden, verwachtingen, vooruitzichten en begeleiding worden in een overeenkomst tussen het college, de werkgever en de persoon zelf vastgelegd. Detacheringsbaan Een persoon werkt via een andere organisatie bij een werkgever. Het doel is om via betaald werk werkervaring op te doen. Dit wordt vastgelegd in een overeenkomst tussen het college, de werkgever, de andere organisatie en de persoon zelf. Beschut werk: Het college biedt deze voorziening aan als het UWV heeft vastgesteld dat een persoon alleen kan werken als het werk en de werkplek zijn aangepast aan zijn/haar mogelijkheden. Het doel van beschut werk is het bieden van een veilige werkplek aan personen die alleen in een beschutte omgeving kunnen werken. De datum van het (positieve) advies van het UWV bepaalt de volgorde van het aanbod van beschut werk. Het aantal dienstbetrekkingen per jaar is beperkt tot het aantal waarvoor het college subsidie ontvangt van het Rijk óf van het aantal dienstbetrekkingen dat in een regeling van het ministerie is vastgesteld. Als het UWV in een jaar meer positieve adviezen geeft dan dat er banen zijn, kan het college samen met de betrokkenen een andere ondersteuning uit deze regeling gebruiken totdat een persoon aan de baan begint. Een persoon die in aanmerking komt voor beschut werk, kan óók bij een reguliere werkgever werken. Die werkgever moet dan wel voldoen aan de voorwaarden voor een beschutte werkplek. Om beschut werk mogelijk te maken en te laten voortduren, kan het college waar nodig de volgende voorzieningen inzetten: fysieke aanpassingen van de werkplek of de werkomgeving uitsplitsing van taken aanpassingen in de werkbegeleiding, het werktempo of de arbeidsduur Loonkostensubsidie: Het college geeft de werkgever een wettelijke loonkostensubsidie als de werknemer: wel kan werken, maar niet het wettelijk minimumloon kan verdienen. tot de doelgroep behoort. voldoet aan de voorwaarden uit artikel 10d van de Participatiewet. Het doel van deze subsidie is om werkgevers te stimuleren personen met een beperking in dienst te nemen en werkgevers een vergoeding te geven voor productieverlies. De werkgever kan loonkostensubsidie aanvragen of het college kan deze ambtshalve toekennen. Het college bepaalt of een persoon niet het wettelijk minimumloon kan verdienen én of deze persoon tot de doelgroep behoort. Het college past bij de toekenning van loonkostensubsidie het werkproces toe dat landelijk is afgesproken (het preferente werkproces). Scholing: Scholing is bedoeld om de stap naar werk mogelijk te maken. Scholing wordt ingezet als het vinden en behouden van betaald werk anders niet mogelijk is voor een persoon. De opleidingen duren maximaal 1 jaar. Voor de opleidingen is geen studiefinanciering mogelijk. Nazorg: Kan zijn: begeleiding door een jobcoach. nazorggesprek(ken) met een trajectcoach of een consulent Participatiewet. Duurt maximaal 3 maanden en begint als het arbeidscontract is ingegaan. Het is mogelijk om de nazorg te verlengen. Het college onderzoekt of door de omstandigheden van een persoon een verlenging nodig is. 8.7 Voorzieningen – sociale activering (sociale zelfredzaamheid) Het college kan een persoon die weinig kans heeft op betaald werk verwijzen naar zinvolle activiteiten die deze persoon dichter bij betaald werk brengen. De persoon wordt niet voor dit werk betaald. Dit heet sociale activering. Sociale activering helpt personen om weer grip op hun leven te krijgen, sociale contacten op te bouwen, hun dag nuttig te besteden en moeilijkheden op weg naar werk te overwinnen. De activiteiten worden afgestemd op de talenten en mogelijkheden van de persoon. Onder meer de volgende voorzieningen kunnen worden ingezet voor sociale activering: werkervaringsplek (participatieplek) instapwerkplek (werkstage) leer-werkplek (arbeidsmatige) dagbesteding Het college beoordeelt: welke activiteit zinvol is om in te zetten. hoelang deze activiteit wordt ingezet. aan welke leerdoelen de persoon werkt. hoe de persoon wordt begeleid en hoeveel begeleiding die krijgt (als dit van toepassing is). Het college maakt afspraken met de persoon en de organisatie en legt die vast in een schriftelijke overeenkomst. 8.7.1 Specifieke voorwaarden voor een voorziening – sociale activering Voorzieningen voor sociale activering worden ook wel vrijwilligerswerk genoemd. Instapwerkplek / werkstage: doel is om de competenties en werknemersvaardigheden van een persoon te ontwikkelen met behoud van uitkering. Leer-werkplek: doel is om de kans op een betaalde baan binnen 1 jaar te vergroten. Dagbesteding (licht) richt zich op recreatie en op plekken die bedoeld zijn voor sociale activiteiten. Hiermee kan een persoon meedoen in de samenleving. Arbeidsmatige dagbesteding zijn plekken die zijn gericht op sociale zelfredzaamheid. Hiermee wil het college stimuleren dat een persoon zijn/haar zelfredzaamheid behoudt/vergroot en zelfstandiger wordt. 8.8 Overige voorzieningen 8.8.1 Persoonlijke begeleiding Het college kan persoonlijke begeleiding inzetten voor een persoon met een arbeidsbeperking als deze persoon de functie zonder begeleiding niet goed kan uitvoeren. Persoonlijke begeleiding is nodig om een persoon zijn/haar werk goed te laten doen en het werk te behouden. Doel is dat de persoon zijn/haar werk uiteindelijk kan doen zonder extra begeleiding. Voorwaarden om voor deze voorzieningen in aanmerking te komen: Een persoon behoort tot de doelgroep. De voorziening kan ook worden ingezet voor personen onder de 18 jaar die VSO-/PRO-onderwijs hebben gevolgd. Zonder deze begeleiding kan een persoon niet werken. De voorziening kan niet van een werkgever verwacht worden. De voorziening wordt niet door een andere instantie vergoed (bijvoorbeeld uit een Wajong- of WIA-uitkering van het UWV). Persoonlijke begeleiding wordt aangeboden via: een jobcoach van de gemeente of regio. een externe jobcoach. een interne jobcoach van de werkgever. een interne werkbegeleider van de werkgever. De jobcoach van de gemeenten of regio heeft de voorkeur boven de andere vormen van persoonlijke begeleiding. Het college onderzoekt in overleg met een persoon en eventueel zijn/haar werkgever: welke persoonlijke begeleiding wordt ingezet. wat de omvang en het doel van de begeleiding zijn. hoelang de begeleiding duurt. hoe intensief de begeleiding is. wanneer de verstrekking van de voorziening afwijkt en wat de reden van de afwijking is. of het mogelijk is om samen te werken met andere partijen en de begeleiding daarop af te stemmen. De afspraken met een persoon, zijn/haar werkgever en het college worden schriftelijk vastgelegd. De inzet van een jobcoach duurt maximaal 24 maanden. Het is mogelijk om de begeleiding met maximaal 12 maanden te verlengen. Het college volgt het Protocol (Interne) Jobcoach van het UWV. Het college volgt de tarieven van het UWV niet. Het college vergoedt jobcoaching alléén als een erkend deskundige de jobcoaching planmatig geeft. Deze deskundige heeft voldoende tijd voor de begeleiding en is goed op de hoogte van de werkzaamheden van de betrokkene. De jobcoach is niet de leidinggevende van de persoon en beoordeelt de persoon ook niet. Een erkend deskundige voldoet aan de richtlijnen en kwaliteitseisen van NOLOC (beroepsvereniging van loopbaanprofessionals en jobcoaches). Het college vergoedt interne werkbegeleiding alléén als een collega van de persoon de interne werkbegeleiding planmatig geeft. Deze collega is daarvoor opgeleid en kan goede begeleiding bieden. Ook weet deze collega wat voor werkzaamheden de persoon uitvoert. De collega is niet de leidinggevende van de persoon en beoordeelt de persoon ook niet. 8.8.2 Vervoersvoorziening personen met een beperking Het college kan een vervoersvoorziening aanbieden als: een persoon niet zelfstandig naar zijn werkplek/voorziening kan reizen. een persoon door zijn beperking geen gebruik kan maken van het openbaar vervoer. het vervoer beperkt is tot woon-werkverkeer. Het college berekent de hoogte van de vergoeding op basis van het aantal gewerkte dagen. Daarbij geldt het tarief dat in de markt gebruikelijk is voor een taxi of andere vormen van vervoer. Reiskostenvergoeding van de werkgever wordt in mindering gebracht op de voorziening. 8.8.3 Voorzieningen voor personen met een visuele of motorische beperking Het college kan een voorziening geven als een persoon niet goed kan zien of bewegen (geheel of gedeeltelijk ontbrekende visuele of motorische lichaamsfunctie). De voorziening van een werkgever of van het UWV heeft voorrang op een voorziening van het college. Een voorziening kan bijvoorbeeld een computervoorziening zijn. Het college geeft deze voorziening als op de werkvloer blijkt dat dit voor een persoon noodzakelijk is om zijn/haar werk goed te doen. 8.8.4 Werkplekaanpassingen Het college kan een aanpassing van de werkplek toekennen als een persoon anders door zijn/haar arbeidsbeperking niet kan werken en de werkgever hiervoor niet verantwoordelijk is. Het college zorgt ervoor dat een persoon voorzieningen krijgt die hij/zij kan meenemen, zoals een bureaustoel of een toetsenbord. Het college zorgt ervoor dat de werkgever voorzieningen krijgt die je niet kunt meenemen, zoals een aangepast toilet of een traplift. 8.8.5 Aanvraag overige voorzieningen Een persoon of werkgever kan de overige voorzieningen uit dit artikel aanvragen via het (telefonische) informatiepunt. Het college kan hiervoor een aanvraagformulier vaststellen. Het college kan ook zonder aanvraag uit eigen beweging (ambtshalve) beoordelen of een persoon of werkgever in aanmerking komt voor een voorziening. 8.9 Andere voorzieningen Het inburgeringstraject wordt gezien als een re-integratievoorziening op basis van de Participatiewet (artikel 9 lid 1 onder b). Het college kan naast de taaltraining voorzieningen inzetten als dat nodig is om de kans op werk te vergroten. 8.10 Vergoedingen Het college kan reiskosten, kosten voor kinderopvang of andere noodzakelijke kosten vergoeden die een persoon met een IOAZ-, IOAW- of een Participatiewet-uitkering moet maken als hij/zij gebruikmaakt van een voorziening. De hoogte van de vergoeding voor kinderopvang is gelijk aan het verschil tussen de werkelijke kosten van de kinderopvang en de kinderopvangtoeslag van de Belastingdienst (de eigen bijdrage). Om voor de vergoeding voor kinderopvang in aanmerking te komen, moet een persoon van de Belastingdienst kinderopvangtoeslag krijgen voor zijn/haar kind(eren). Het college kan reiskosten vergoeden aan een statushouder met een Participatiewet-uitkering die aan een inburgeringstraject deelneemt en daarvoor noodzakelijke reiskosten maakt. Het vergoeden van reiskosten kan als de statushouders nog in het AZC (asielzoekerscentrum) wonen en leefgeld ontvangen van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA). 8.11 Stoppen van een voorziening Het college kan besluiten een bepaalde voorziening te stoppen als: een persoon die de gemaakte en vastgelegde afspraken niet nakomt (artikel 8.6, 8.6.1, 8.7, 8.7.1, 8.8.1 van deze verordening). een persoon die aan de voorziening deelneemt zijn/haar verplichtingen niet nakomt (artikel 9 en 17 van de Participatiewet, artikel 13 en 37 van de IOAW of artikel 13 en 37 van de IOAZ). een persoon een beroep kan doen op geschikte ondersteuning via een andere organisatie of regeling of via zijn/haar werkgever. de voorziening niet (langer) nodig is om de positie van een persoon op de arbeidsmarkt te verbeteren of om werk te vinden of te behouden. de kosten van de voorziening voor een werkgever of het college niet in verhouding staan tot het verwachte effect van die voorziening voor een persoon óf als de voorziening niet (langer) geschikt is voor een persoon of als een andere voorziening beter past.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel