1. De voorzitter is tevens voorzitter van het algemeen bestuur en van het dagelijks bestuur.
2. De voorzitter wordt in de eerste vergadering van iedere zittingsperiode van het algemeen bestuur door en uit het algemeen bestuur aangewezen. De deelnemer waarvan een lid in het algemeen bestuur tot voorzitter is benoemd brengt een extra lid in het algemeen bestuur in.
3. Bij afwezigheid of ontstentenis van de voorzitter wordt hij vervangen door de plaatsvervangend voorzitter. Deze wordt aangewezen tijdens de eerste vergadering van het algemeen bestuur.
4. De voorzitter vertegenwoordigt de RID in en buiten rechte. De voorzitter kan de vertegenwoordiging opdragen aan een door deze aan te wijzen gemachtigde.
5. De voorzitter tekent de stukken die van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur uitgaan.
6. De voorzitter treedt af op de dag waarop de zittingsperiode van het algemeen bestuur eindigt.
7. Indien de voorzitter ophoudt lid van het algemeen bestuur te zijn, houdt hij of zij tevens op voorzitter te zijn.
8. Het algemeen bestuur kan de voorzitter ontslaan als hij of zij niet langer het vertrouwen van het algemeen bestuur geniet.
9. Indien het voorzitterschap van de RID tussentijds openvalt, wijst het algemeen bestuur zo spoedig mogelijk een nieuwe voorzitter aan.
HOOFDSTUK 3: › Paragraaf
Artikel 13:
Aanwijzing en Taken
Onderdeel van Gemeenschappelijke regeling RID Utrecht”.