Naar hoofdinhoud
Als de belastingschuldige de aanslag niet kan betalen (ook niet in termijnen), dan kan belastingschuldige kwijtschelding aanvragen. De gemeente kan dan besluiten dat de belastingaanslag niet hoeft te worden betaald. Of maar voor een deel hoeft te worden betaald. Of de belastingschuldige kwijtschelding krijgt, hangt af van zijn persoonlijke situatie, zoals inkomen, bezit (bijvoorbeeld een auto) en woonsituatie. De kwijtscheldingsregeling is een landelijke regeling waar de gemeente niet zomaar van kan afwijken. 5.9.1 Uitleg van begrippen Normbedragen bij kwijtschelding normbedragen zijn standaardbedragen die de gemeente gebruikt bij de berekening van kwijtschelding. De gemeente gaat er bij deze berekening vanuit dat dit de kosten zijn die de belastingschuldige heeft gemaakt om te leven. De hoogte van de bestaanskosten is afhankelijk van de persoonlijke situatie. Vermogen is de waarde van alle bezittingen van de belastingschuldige en diens partner. Motorvoertuig met motorvoertuig wordt niet alleen een auto of een motor verstaan, maar alle voertuigen die met behulp van mechanische of elektrische kracht worden voortbewogen. Dus ook bromfietsen, scooters, brommobielen en elektrische fietsen. Betalingscapaciteit is het verschil tussen het verwachte netto inkomen per maand van de belastingschuldige en zijn of haar partner en de verwachte maandelijkse kosten voor levensonderhoud in de 12 maanden na de aanvraag voor kwijtschelding. Besteedbaar inkomen is het totaal aan inkomsten (bijvoorbeeld loon, pensioen, sociale uitkeringen, vakantiegeld, huurtoeslag etc. ) verminderd met de maandelijkse kosten, zoals woonlasten en de niet door de werkgever ingehouden premies ziektekostenverzekering en de nominale premies volgens de Zorgverzekeringswet. 5.9.2 Beleidskeuzes kwijtschelding In artikel 255 van de Gemeentewet staat dat de gemeente bij het verlenen van volledige of gedeeltelijke kwijtschelding moet voldoen aan de regels die de Minister van Financiën heeft vastgesteld op basis van artikel 26 van de Invorderingswet. Deze regels staan in de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 (UR IW). De gemeente kan binnen de wettelijke grenzen afwijken van de regels die in de UR IW staan. De mogelijkheden hiervoor zijn vastgelegd in de Gemeentewet, de UR IW en de Regeling Kwijtschelding belastingen voor medeoverheden. De afwijkende regels staan in de door de gemeente opgestelde kwijtscheldingsverordening. Deze verordening is te vinden op www.overheid.nl 5.9.3 Aanvragen kwijtschelding en aanleveren informatie Een verzoek om kwijtschelding kan op de volgende manieren worden aangevraagd: online met behulp van DigiD; per e-mail: kwijtscheldingen@horstaandemaas.nl; of, per post Gemeente Horst aan de Maas t.a.v. Afdeling Financiën Postbus 6005 5960 AA Horst. Als de belastingschuldige moeite heeft met het invullen van het kwijtscheldingsformulier of met het indienen van de aanvraag kan hij/zij terecht bij de STeunAdviesPunt (STAP) of Thuisadministratie Horst aan de Maas. Als een formulier niet goed is ingevuld, krijgt de belastingschuldige de kans om de ontbrekende gegevens binnen 2 weken alsnog aan te leveren. Als uit de toetsing bij het Bureau Informatiediensten Nederland (BIDN) blijkt dat er meer informatie nodig is, kan de invorderingsambtenaar deze informatie opvragen. Deze informatie moet door de belastingschuldige binnen 2 weken worden aangeleverd. Zie ook 5.9.4. De invorderingsambtenaar vraagt de gegevens maximaal 2 keer op. Als de aanvrager niet alle gevraagde informatie levert, wordt het verzoek afgewezen. 5.9.4 Geautomatiseerde kwijtschelding De gemeente maakt voor het beoordelen van het recht op kwijtschelding gebruik van het BIDN (Bureau Informatiediensten Nederland). Het BIDN helpt de gemeente bij het controleren van aanvragen voor kwijtschelding. Ieder kwijtscheldingsverzoek dat de gemeente ontvangt wordt door het BIDN getoetst. Voor deze toetsing vergelijkt het BIDN verschillende gegevens van andere overheidsorganisaties (onder andere van de Belastingdienst, het RDW,en het UWV) met de voor het BIDN vastgestelde normbedragen. Uit deze toetsing kunnen verschillende bevindingen komen. Deze bevindingen worden doorgestuurd naar de gemeente. Op basis van de bevindingen vraagt de gemeente aanvullende informatie op bij de belastingschuldige. Op basis van deze informatie wordt het kwijtscheldingsverzoek afgehandeld. Zijn er geen bevindingen dan kan de gemeente het kwijtscheldingsverzoek toekennen zonder verdere beoordeling. Als er geen bevindingen zijn kan de gemeente automatisch, zonder kwijtscheldingsverzoek, kwijtschelding aan deze belastingschuldige verlenen. De belastingschuldige moet toestemming hebben gegeven voor deze automatische kwijtscheldingstoets. 5.9.5 Kwijtschelding van al betaalde belastingaanslagen De invorderingsambtenaar kan belasting die al betaald is, alsnog kwijtschelden. Dit gebeurt alleen als aan de volgende voorwaarden is voldaan: de belastingschuldige moet het verzoek om kwijtschelding binnen drie maanden na de laatste betaling op de belastingaanslag indienen; en de belastingschuldige heeft betaald onder omstandigheden die normaal gesproken zouden hebben geleid tot kwijtschelding, als hij daar eerder om had gevraagd. Als de invorderingsambtenaar het verzoek toewijst, betaalt hij de belastingschuldige het bedrag terug waarvoor kwijtschelding is verleend. 5.9.6 Gegevens en normen bij het indienen van een verzoek om kwijtschelding Bij het beoordelen van het verzoek om kwijtschelding wordt gekeken naar de gegevens en normen die op dat moment gelden. 5.9.7 Toewijzing van het verzoek om kwijtschelding onder voorwaarden De invorderingsambtenaar kan kwijtschelding verlenen onder voorwaarden. Deze voorwaarden zullen worden vermeld in de beslissing op het kwijtscheldingsverzoek. 5.9.8 Motivering afwijzing van het verzoek om kwijtschelding Als de invorderingsambtenaar het verzoek om kwijtschelding afwijst, moet duidelijk worden uitgelegd waarom de invorderingsambtenaar dit besluit heeft genomen en wat de redenen voor de afwijzing zijn. 5.9.9 Na afwijzing: 14 dagen wachten bij voortzetting invordering Als de invorderingsambtenaar het verzoek om kwijtschelding afwijst, of als een beroepschrift tegen een afwijzing is afgewezen, moet de belastingschuldige het verschuldigde bedrag binnen 14 dagen of binnen de betalingstermijn die op het aanslagbiljet staat betalen. 5.9.10 Wanneer wordt er geen kwijtschelding verleend? Er wordt geen kwijtschelding verleend als: uit de verstrekte gegevens blijkt dat de uitgaven hoger zijn dan het inkomen, en de belastingschuldige heeft niet voldoende uitleg gegeven over het verschil; het de belastingschuldige is te verwijten dat de belastingaanslag niet kan worden betaald, bijvoorbeeld wanneer: een belastingteruggaaf niet is gebruikt om de schuld te betalen (tenzij het om een voorlopige teruggaaf gaat); er op enig moment voldoende geld aanwezig was om de aanslag te betalen, maar de belastingschuldige toch niet heeft betaald; de belastingaanslag(en) binnen de minnelijke en/of wettelijke schuldsaneringsregeling valt, tenzij er een akkoord is zoals bedoeld in de wet; de invorderingsambtenaar heeft extra voorwaarden gesteld waaraan nog niet is voldaan. Als aan die voorwaarden wordt voldaan, kan alsnog kwijtschelding worden verleend; daarnaast wordt geen kwijtschelding verleend voor belasting die waarschijnlijk binnen korte tijd betaald kan worden, bijvoorbeeld als: er binnen een jaar na het verzoek een verbetering in de financiële situatie van de belastingschuldige wordt verwacht; er binnen een jaar na het verzoek een belastingteruggaaf wordt verwacht, anders dan de voorlopige teruggaaf. 5.9.11 Kwijtschelding van belastingen voor particulieren Ex-ondernemers en kwijtschelding Op een ex-ondernemer (is een particulier die met zijn onderneming of zelfstandig beroep volledig is gestopt) is het kwijtscheldingsbeleid voor particulieren van toepassing. 5.9.12 De auto en vermogen De waarde van een motorvoertuig telt niet mee voor het vermogen als het op het moment van het verzoek minder dan € 3.350,00 waard is. Is het voertuig meer waard, dan wordt de volledige waarde meegenomen als vermogen. Als er geld is geleend voor het voertuig en er een pandrecht gevestigd is, dan wordt de lening afgetrokken van de waarde van het voertuig. Een pandrecht geeft degene (bijvoorbeeld een bank) die het geld aan de belastingschuldige heeft geleend een extra garantie. Als de belastingschuldige niet betaalt, heeft de bank het recht om de auto te verkopen, voordat andere schuldeisers dit kunnen doen. Als de belastingschuldige failliet gaat, kan de schuldeiser zijn pandrecht blijven gebruiken en proberen zijn geld te krijgen, alsof er geen faillissement is. Als het voertuig na de verzending van het aanslagbiljet is gekocht, wordt dit als verwijtbaar gedrag gezien. Dit betekent dat de kosten voor de aanschaf van het voertuig worden opgeteld bij het banksaldo. Als 'waarde' geldt de prijs die de autohandel wil betalen bij inkoop van de auto zonder gelijktijdige verkoop van een andere auto. De waarde van de auto wordt in beginsel bepaald op basis van de bevindingen van het BIDN of de Autotelex. Daarbij wordt uitgegaan van de door de belastingschuldige doorgegeven kilometerstand. Als er geen kilometerstand bekend is wordt er uitgegaan van 15.000 kilometer per levensjaar van de auto. Als het niet mogelijk is om met behulp van Autotelex een waarde te bepalen wordt er gekeken naar een vergelijkbare auto op de tweedehands (online) automarkt. Een auto telt niet mee als vermogen als de belastingschuldige aan de invorderingsambtenaar aannemelijk kan maken dat die auto absoluut onmisbaar is voor zijn werk of in verband met invaliditeit of ziekte van de belastingschuldige of zijn gezinsleden. Met gezinsleden wordt bedoeld de echtgeno(o)t(e) van belastingschuldige, diens geregistreerde partner of diens kind(eren) voor zover deze geen eigen inkomen/vermogen heeft (hebben) waarmee de auto kan worden betaald. Noodzakelijkheid van de auto in verband met de uitoefening van het beroep kan onder andere aannemelijk gemaakt worden met een verklaring van de werkgever of als aannemelijk is dat een ander vervoersmiddel (bijvoorbeeld fiets of openbaar vervoer) niet mogelijk is. Noodzakelijkheid van de auto in verband met invaliditeit of ziekte kan aannemelijk gemaakt worden door het overleggen van een gehandicaptenparkeerkaart of een verklaring van een arts waaruit blijkt dat de auto noodzakelijk is. Als er meer dan één motorvoertuig in eigendom is, wordt de vrijstelling toegepast op de waarde van het goedkoopste motorvoertuig. Alle andere motorvoertuigen worden volledig als vermogen aangemerkt. 5.9.13 Geld op bankrekening(en) en vermogen Vakantiegeld en de eindejaarsuitkering (of vergelijkbare eenmalige ontvangsten) worden in mindering gebracht op het vermogen als deze korter dan 3 maanden geleden zijn ontvangen. Als de belastingschuldige in het rood (in de min) staat op een rekening, wordt dit verrekent met een andere rekening van de belastingschuldige waar geld op staat. De kredietruimte van een doorlopend krediet wordt niet als vermogen gezien. Spaartegoeden tellen mee als vermogen. 5.9.14 Vermogen en studielening Het vermogen van studenten kan gedeeltelijk gespaard zijn met het lening deel van de studiefinanciering. Dit spaargeld telt mee als vermogen, maar wordt verminderd met 3 maanden lening deel van de studiefinanciering. 5.9.15 Eigen woning en vermogen Als een woning meer waard is dan de hypotheek, telt de overwaarde mee als vermogen. Dit kan betekenen dat het verzoek om kwijtschelding wordt afgewezen. In sommige gevallen kan de invorderingsambtenaar uitstel van betaling geven, met een hypotheek op de woning als zekerheid. Dit gebeurt alleen in uitzonderlijke gevallen. Voor het bepalen van de waarde van de woning gebruikt de gemeente de meest recente WOZ-waarde. 5.9.16 Vermogen van kinderen Het vermogen van kinderen die thuis wonen telt niet mee, tenzij de ouder (een deel van) zijn vermogen aan het kind heeft gegeven om een belastingvoordeel te behalen. 5.9.17 Erfenissen en vermogen Bij het beoordelen van een verzoek om kwijtschelding na het overlijden van de belastingschuldige, wordt gekeken of de belastingaanslag uit de erfenis kan worden betaald. De financiële situatie van de erfgenamen is meestal niet van belang, tenzij de overgebleven of erfgenaam het verzoek indient. In dat geval worden de persoonlijke financiële omstandigheden wel meegenomen 5.9.18 Schadevergoedingen en vermogen Ontvangen schadevergoedingen worden gedurende een bepaalde periode niet meegerekend als vermogen. Materiële schadevergoedingen zijn één jaar vrijgesteld. Immateriële schadevergoedingen zijn twee jaar vrijgesteld. 5.9.19 Vakantiegeld Vakantiegeld telt mee als inkomen. Voor vakantiegeld wordt gerekend met 7% van het inkomen, tenzij het werkelijk ontvangen vakantiegeld meer of minder is dan dit percentage. 5.9.20 Studenten Bij het berekenen van het netto besteedbare inkomen wordt gekeken naar de studiefinanciering die de student ontvangt en andere inkomsten die de student heeft. Studenten in het hoger en middelbaar beroepsonderwijs hebben recht op een normbudget (bepaald bedrag) voor hun levensonderhoud. In het kader van de kwijtscheldingsregeling is dit normbudget de optelsom van basisbeurs, maximale aanvullende beurs en maximale basislening. Daarbij wordt voor zover van toepassing rekening gehouden met het feit of de student thuiswonend, dan wel uitwonend is. In voorkomend geval wordt dit normbudget verhoogd met de één-oudertoeslag. De inkomsten van een student worden op een standaardbedrag gesteld. Voor studenten in het hoger onderwijs wordt dit bedrag berekend door het normbudget voor levensonderhoud te verminderen met een standaardbedrag voor boeken en leermiddelen. Voor studenten in het middelbaar beroepsonderwijs wordt dit bedrag berekend door het normbudget voor levensonderhoud te verminderen met een standaardbedrag voor boeken en leermiddelen en met het bedrag aan onderwijsretributie (is een vergoeding). Het standaardbedrag voor boeken en leermiddelen wordt jaarlijks door het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap bepaald. Als een student naast studiefinanciering ook eigen inkomen heeft, wordt het inkomen van de student bepaald zoals hierboven bij A en B is beschreven. Als de studiefinanciering (zonder het collegegeldkrediet voor hoger onderwijs) en de eigen inkomsten samen hoger zijn dan de kosten van levensonderhoud voor het huishouden, wordt de betalingscapaciteit berekend met de volgende formules: Formule 1: (P + Q) – R – S = X P is de studiefinanciering die de student heeft gekregen zonder het collegegeldkrediet (is geld dat de student kan lenen om het collegegeld te betalen). Q is het totaal van de eigen inkomsten van de student. R is het normbudget voor levensonderhoud dat geldt voor de studen.t S is de lening die de student van de DUO heeft ontvangen. De uitkomst (X) kan nooit lager zijn dan nul. Formule 2: X + Y = T Y is het standaardbedrag voor inkomsten van de student, zoals eerder beschreven. T is het totaal van de inkomsten van de student. Dit inkomen wordt gebruikt om het netto besteedbaar inkomen te berekenen. Als de studiefinanciering voor een groot deel uit een lening bestaat, wordt dezelfde berekening gebruikt zoals hierboven beschreven. 5.9.21 Bijzondere bijstand/ouderlijke bijdrage Uitkeringen die de belastingschuldige ontvangen als bijzondere bijstand en die bedoeld zijn om specifieke kosten te dekken, worden niet als inkomen beschouwd. Maar de bijzondere bijstand voor belastingschuldige jonger dan 21 jaar wordt wel als inkomen gezien. Dit komt omdat deze bijzondere bijstand niet bedoeld is voor specifieke kosten, maar voor het aanvullen van een zeer lage bijstandsuitkering. Ook ouderlijke bijdragen worden als inkomen aangemerkt, ongeacht de leeftijd van de belastingschuldige. 5.9.22 Persoonsgebonden budget Geld dat wordt ontvangen uit een persoonsgebonden budget voor zorg, begeleiding of hulp, en dat niet gedekt wordt door de zorgverzekering of reguliere bijstand, wordt niet als inkomen meegerekend. 5.9.23 Betalingen op belastingschulden Bij het berekenen van het netto besteedbaar inkomen wordt geen rekening gehouden met belastingaanslagen die binnen 12 maanden na de aanvraag voor kwijtschelding nog opgelegd zullen worden. Betalingen voor belastingschulden omvatten niet alleen betalingen aan de Rijksbelastingdienst, maar ook betalingen voor waterschapsbelastingen. 5.9.24 Normpremie zorgverzekering begrepen in de bijstandsuitkering Een deel van de premie ziektekosten die de belastingschuldige betaalt, wordt niet meegenomen als uitgave, in de berekening van de kwijtschelding. Dat deel noemen wij de normpremie ziektekosten die door het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport wordt vastgesteld. 5.9.25 Kwijtschelding tijdens WSNP Als de belastingschuldige vraagt om kwijtschelding van belastingen die zijn ontstaan na de datum van de schuldregelingsovereenkomst, wordt het verzoek behandeld volgens het bestaande beleid. Dit betekent onder andere dat bij het berekenen van de betalingscapaciteit, zoals beschreven in artikel 13 van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990, het inkomen van de belastingschuldige niet wordt verlaagd met het deel van het inkomen dat onder het financieel beheer van de schuldhulpverlener valt. Ook wordt opgemerkt dat het geld dat onder het financieel beheer van de schuldhulpverlener valt (debe heerrekening), niet wordt gezien als vermogen volgens artikel 12 van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990. 5.9.26 Onderhoud gezinsleden in het buitenland Als de belastingschuldige in Nederland woont, maar gezinsleden in het buitenland onderhoudt, wordt voor zijn betalingscapaciteit het normbedrag voor echtgenoten gehanteerd. Er wordt rekening gehouden met de huur die in Nederland wordt betaald. De werkelijke bedragen die de belastingschuldige naar het buitenland overmaakt, tellen niet mee.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel