1. De raad wijst burgerleden aan.

2. De commissie ingesteld op basis van artikel 5 lid 1 onderzoekt de geloofsbrieven en de daarop betrekking hebbende stukken van de burgerleden en brengt vervolgens advies uit aan de raad.

4. Een burgerlid dient voorafgaande aan de aanwijzing tot burgerlid door eed of belofte te verklaren dat deze zich volledig conformeert aan de rechten en plichten die bij of krachtens de Gemeentewet aan een raadslid zijn of worden gesteld en waar de artikelen 10, 11, 12, 13 en 15 van de Gemeentewet op het burgerlid van toepassing zijn, met dien verstande dat in artikel 15, tweede lid, van de wet voor 'gedeputeerde staten' 'de raad' moet worden gelezen.

5. Alvorens een burgerlid de functie kan uitoefenen, legt het burgerlid in handen van de voorzitter van de raad de eed of verklaring en belofte af overeenkomstig artikel 14 van de wet met dien verstande dat voor ‘lid van de raad’ wordt gelezen ‘burgerlid'.