Naar hoofdinhoud
6.1. Levensgedrag De burgemeester beoordeelt het levensgedrag van een betrokkene per geval. Bijlage 1 bevat een niet-limitatieve opsomming van signalen die wijzen op slecht levensgedrag. Elke beoordeling is maatwerk, dus alle feiten en omstandigheden worden in onderlinge samenhang en in relatie met de (te verlenen) vergunning gewogen. Dit wordt in ieder geval op basis van onderstaande beoordelingsaspecten gedaan. Aard en ernst van de feiten en omstandigheden Bij de levensgedragtoets gaat het om gebleken feiten en omstandigheden of gedragingen die naar hun aard en ernst de vrees rechtvaardigen dat de aanwezigheid van de betrokkene als verantwoordelijke voor de vergunningsplichtige activiteit het woon- en leefklimaat, de openbare orde of de veiligheid nadelig beïnvloedt. In het licht van het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel mogen geringe feiten en omstandigheden die te maken hebben met het levensgedrag op zichzelf bezien niet leiden tot een weigering/intrekking van een vergunning. 4 RvS 25 mei 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1493. Ook de feiten, gedragingen en omstandigheden die betrekking hebben op derden mogen bij de beoordeling worden betrokken. 5 RvS 10 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4324. Het gaat er daarbij om dat door de wijze waarop het bedrijf wordt gerund, het risico op strafbare gedragingen door derden wordt vergroot. Zo mag van een leidinggevende van een openbare inrichting worden verwacht dat deze diens bezoekers aanspreekt op naleving van de wet- en regelgeving. Aantal feiten en omstandigheden Bij de levensgedragtoets speelt het aantal feiten dat bekend is een rol. Daarbij wordt ook gekeken naar een mogelijk gedragspatroon (zie onder 4). Verder wordt gekeken naar gedragingen die op zichzelf niet reeds als ernstig kunnen worden beschouwd, maar die in samenhang met andere feiten een gedragspatroon opleveren waaruit blijkt dat de betrokkene de wet- en regelgeving niet naleeft. Het gaat dus om bijvoorbeeld één zwaarder feit of meerdere (lichte) overtredingen. Een hoge frequentie van kleinere overtredingen kan wel gezien worden als het structureel niet naleven van de wet- en regelgeving. Type onderneming of activiteit Uiteenlopende branches, ondernemingen of activiteiten kennen verschillende risico’s en verantwoordelijkheden. Een lunchroom, shishalounge, café of fastfoodrestaurant zijn verschillend van aard en trekken daarom overwegend ander publiek aan. Ook een kinderevenement of festival trekken bijvoorbeeld uiteenlopend publiek aan. In iedere beoordeling weegt mee welke risico’s en verantwoordelijkheden verbonden zijn aan de vergunning die nodig is voor een specifieke onderneming of activiteit. De aard van de inrichting, het bedrijf of evenement is relevant voor het wegen van de (strafbare) feiten en omstandigheden. Bij een horecaonderneming of evenementenbranche kunnen geluidsoverlast of alcoholgerelateerde overtredingen bijvoorbeeld zwaarder wegen. Bij alcoholschenkende horecabedrijven wegen overtredingen zoals rijden onder invloed van alcohol en openbaar dronkenschap in beginsel zwaar mee in de beoordeling. Exploitanten en leidinggevenden dienen hun verantwoordelijkheid naar de bezoekers te tonen en hen indien noodzakelijk ervan te weerhouden verdovende middelen in te nemen. Periode waarin de feiten zijn gepleegd Voor de beoordeling of de aanvrager in een concreet geval voldoet aan het vereiste ‘slecht levensgedrag' wordt een vaste gedragslijn gehanteerd. De feiten en omstandigheden die wel meegenomen kunnen worden, mogen niet een onredelijke lange periode worden meegewogen. Een redelijke periode tot wanneer relevante gedragingen kunnen worden beoordeeld is in beginsel tot vijf jaar geleden. Indien zich in de periode van vijf jaar voorafgaand aan het nemen van een besluit op de aanvraag geen feiten of omstandigheden hebben voorgedaan die te maken hebben met het levensgedrag van de betrokkene, kan de vergunning in beginsel worden verleend. Als zich in die periode van vijf jaar wel voorvallen hebben voorgedaan kijkt de burgemeester ook naar de voorvallen in het verdere verleden om te bezien of er een bepaald gedragspatroon valt te ontwaren. Bij een patroon van feiten, waarbij een "criminele carrière" wordt vermoed, wordt bij de beoordeling langer dan vijf jaar teruggekeken (tot tien jaar). Dat is bijvoorbeeld het geval bij een bepaald gedragspatroon van niet-naleving van de regels dan wel hoge frequentie van (soortgelijke) feiten. Of wanneer de betrokkene eerder is veroordeeld wegens (soortgelijke) feiten en omstandigheden. Mocht de betrokkene in de afgelopen vijf jaar niet betrokken zijn geweest bij het runnen van de openbare inrichting of het bedrijf en/of in detentie hebben gezeten, dan kunnen de feiten die ouder zijn dan vijf jaar ook betrokken worden. Daarnaast geldt het volgende: De pleegdatum is in beginsel leidend. Voor de berekening van de laatste vijf jaar telt de periode waarin een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf of voorlopige hechtenis is ondergaan niet mee; De datum van het primaire besluit over het levensgedrag op de aanvraag van de exploitatievergunning, de tussentijdse bijschrijving van een betrokkene of intrekking van de exploitatievergunning is de peildatum voor vaststellen van de periode van vijf jaar. Opgelegde straf of (bestuurlijke) maatregel Een strafrechtelijke veroordeling is niet vereist voor het kunnen aannemen van slecht levensgedrag. 6 Rb. Noord-Holland 19 februari 2020, ECLI:NL:RBNHO:2020:1694. Ook bestuursrechtelijke maatregelen wegen mee. Geseponeerde strafbare feiten wegens onvoldoende bewijs, of feiten die leidden tot ontslag van alle rechtsvervolging dan wel vrijspraak kunnen tevens worden betrokken bij de beoordeling. Informatie uit de betreffende zaak over het gedrag van de betrokkene is namelijk relevant. Een betrokkene kan bijvoorbeeld zijn vrijgesproken voor een geweldsdelict, maar het feitencomplex kan informatie bevatten over de houding en het gedrag van de betrokkene die relevant is voor de levensgedragtoets. Wanneer de betrokkene is veroordeeld, weegt dit mee in de beoordeling. Het soort, de hoogte en zwaarte van de straf of maatregel kan meewegen. Naast (on)herroepelijke strafrechtelijke veroordelingen wegen ook strafbeschikkingen mee. 7 Rb. Zeeland-West-Brabant 17 april 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:2208. Feiten die door het Openbaar Ministerie middels een transactie zijn afgedaan worden ook bij de beoordeling van het levensgedrag betrokken. Ook (strafbare) feiten gepleegd als minderjarige worden bij de beoordeling betrokken. Bij de beoordeling speelt de leeftijd waarop het feit is gepleegd, de ernst van het feit en de ontwikkeling op latere leeftijd een rol. 6.2. Bedrijfsvoering Net als bij de levensgedragtoets is elke beoordeling van de bedrijfsvoering maatwerk en zijn er geen beperkingen opgelegd ten aanzien van feiten of omstandigheden die mogen worden betrokken. Alle feiten en omstandigheden worden in samenhang bezien en in relatie tot de vergunning gewogen. Vergelijkbaar met de levensgedragtoets geldt dat het niet concreet te benoemen valt wanneer sprake is van een bedrijfsvoering die een nadelige impact heeft op het woon- en leefklimaat in de omgeving van het bedrijf en de openbare orde of de veiligheid. In sommige gevallen is één feit voldoende om te spreken van een slechte bedrijfsvoering. In andere gevallen zijn het meerdere feiten en/of omstandigheden die op zichzelf staande onvoldoende zijn, maar in hun onderlinge samenhang beschouwd wel leiden tot een weigering of intrekking van de vergunning. Dat al een maatregel is opgelegd betekent niet dat datzelfde feit geen rol meer kan spelen bij de beoordeling van de bedrijfsvoering. Bij het toetsen van de bedrijfsvoering wordt onderzocht of de bedrijfsvoering in zijn geheel voldoende vertrouwen geeft voor de toekomst. Bijlage 2 bevat een niet-limitatieve opsomming van signalen die wijzen op het voeren van een slechte bedrijfsvoering. Wanneer zaken, zoals beschreven in bijlage 2, niet op orde zijn, kan worden geconcludeerd dat de bedrijfsvoering niet op orde is. Bij de beoordeling zijn in ieder geval de volgende punten relevant: Aandeel van de betrokkene in de waargenomen feiten Wat heeft de betrokkene wel/niet gedaan dat bijgedragen heeft aan het ontstaan van de waargenomen feiten? Hoe treedt deze op als er problemen zijn of dreigen? In hoeverre valt het gedrag aan de betrokkene te verwijten? Periode waarin feiten zijn gepleegd In beginsel worden slechts feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan in de periode van vijf jaar voorafgaand aan het besluit meegenomen in de beoordeling. Bij de berekening van de periode van vijf jaar is 6.1. onder 4 van overeenkomstige toepassing. Uitgezonderd is informatie van de Belastingdienst en overige fiscale feiten, waarbij mogelijk een langere terugkijktermijn geldt. Getroffen preventieve maatregelen getroffen door exploitant/leidinggevende om overlast en incidenten te voorkomen Hoe gaat de exploitant en/of leidinggevende om met eventuele camerabeelden? Is er bijvoorbeeld beveiligingspersoneel ingezet of een veiligheidsplan aanwezig? Hoe vaak komen de incidenten/feiten voor?

Rechtspraak bij dit artikel