Bij de beoordeling van het levensgedrag van de betrokkene gelden de volgende uitgangspunten:
Het is niet vereist dat bij de beoordeling alleen feiten en omstandigheden worden betrokken die te maken hebben met de exploitatie van de openbare inrichting, het bedrijf of evenement. Bij de beoordeling van iemands levensgedrag worden ook feiten en omstandigheden meegewogen die niet in (de directe) omgeving van de openbare inrichting, het bedrijf of evenement plaatsvinden. Deze informatie kan inzicht geven in het gedrag en houding van de betrokkene en kan relevant zijn voor de beoordeling daarvan. Het gedrag van de exploitant/leidinggevende kan een indicatie zijn van hun vermogen om de regels en voorschriften na te leven bij een (alcoholschenkende) openbare inrichting. Als de feiten te relateren zijn aan de openbare inrichting, het bedrijf of evenement, dan weegt dit zwaarder mee;
Voor het aannemen van slecht levensgedrag is niet vereist dat zich daadwerkelijk concrete problemen met betrekking tot het woon- of leefklimaat in de omgeving van de openbare inrichting en/of met betrekking tot de openbare orde of veiligheid hebben voorgedaan. Het opzetten dan wel in stand houden van een schijnconstructie binnen de onderneming is een voorbeeld van slecht levensgedrag dat het woon- en leefklimaat indirect beïnvloedt. 8 Rb. Midden-Nederland 13 september 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:5532. Door de (moedwillige) schijnconstructie wordt het de burgemeester immers onmogelijk gemaakt om de horecabranche te controleren en zou criminaliteit gefaciliteerd kunnen worden. Dit kan dus wel gevolgen hebben voor het woon- en leefklimaat en weegt daarom mee;
Beschreven constateringen in bijvoorbeeld processen-verbaal, of bestuurlijke rapportages van de politie of rapportages, gespreksverslagen of mutaties van opsporingsambtenaren of toezichthouders wegen mee in de beoordeling; 9 Rb. Noord-Holland 29 juni 2022, ECLI:NL:RBNHO:2022:6095.
Indien op basis van deskundig advies, zoals een Bibob-advies van het LBB, wordt aangenomen dat ernstig gevaar bestaat voor het plegen van strafbare feiten met de betreffende vergunning, wordt dit meegenomen in de beoordeling voor het intrekken of weigeren daarvan; 10 RvS 17 augustus 20222, ECLI:NL:RVS:2022:2399.
Indien bewust onjuiste informatie wordt verstrekt (valsheid in geschrift) welke van belang is voor het verlenen dan wel voortzetten van de gevraagde vergunning wordt dit meegewogen in de beoordeling. Een voorbeeld is overtreding van artikel 3 lid 6 Wet Bibob, dat bepaalt dat het verstrekken van onjuiste informatie (middels een Bibob-formulier) een grond is voor intrekking/weigering van de exploitatievergunning. 11 RvS 22 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:212. Het opzettelijk zwak/onjuist invullen van het Bibob-formulier staat haaks op integer gedrag van een ondernemer. Er mag vanuit gegaan worden dat voor betrokkene duidelijk is dat diegene verplicht is een eerdere overtreding te melden;
Het milieu waarin iemand zich begeeft kan, in samenhang bezien met de overige feiten en omstandigheden, een rol spelen bij de beoordeling van het levensgedrag. Denk bijvoorbeeld aan een persoon die in een omgeving verkeert waar criminele contacten aanwezig zijn;
De beoordeling van de vraag of iemand van slecht levensgedrag is, beperkt zich niet tot de feiten en gedragingen die bij de toetsing van Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) worden beoordeeld. Een VOG vormt een aanknopingspunt voor de veronderstelling dat een aanvrager over de vereiste eigenschappen en kwaliteiten beschikt. Dit neemt niet weg dat het bestuursorgaan op grond van de Alcoholwet, Apv, Wet Bibob, Wet op de kansspelen en het Speelautomatenbesluit 2000 een zelfstandige bevoegdheid heeft in de beoordeling van het levensgedrag.
Bij de beoordeling van de wijze van bedrijfsvoering gelden naast sub b en c, de volgende uitgangspunten:
Alleen feiten en omstandigheden die relevant zijn voor de vraag of de wijze van bedrijfsvoering het woon- en leefklimaat, de openbare orde of de veiligheid nadelig beïnvloedt, worden meegenomen in de beoordeling. Feiten en omstandigheden waarvan geen weerslag valt te verwachten op het woon- en leefklimaat, de openbare orde of de veiligheid kunnen geen grond zijn voor weigering of intrekking van een vergunning.
Ook het publiek dat op de gelegenheid afkomt, de sfeer en uitstraling van de gelegenheid kunnen meewegen bij de beoordeling. Daarnaast speelt de houding (en aanwezigheid) van de exploitant, de leidinggevende en het personeel een belangrijke rol. Denk hierbij bijvoorbeeld aan een exploitant die niet in gesprek gaat met buurtbewoners die overlast ervaren van (bezoekers van) de gelegenheid of een exploitant die niet optreedt tegen onwenselijk gedrag van bezoekers en/of het personeel.
Ook registraties over andere zaken van dezelfde exploitant of andere zaken waarbij de exploitant en/of leidinggevende betrokken is of was, kunnen worden meegewogen in de beoordeling van de bedrijfsvoering. Bijvoorbeeld wanneer de exploitant en/of leidinggevende bij eerdere exploitaties en/of bij een andersoortig bedrijf een slechte bedrijfsvoering hebben laten zien. Ook de bedrijfsvoering ten aanzien van andere bedrijven van de betrokkene kan meewegen bij de beoordeling van de bedrijfsvoering.
De exploitant is verantwoordelijk voor de bedrijfsvoering en daarmee ook voor degene aan wie hij de exploitatie overlaat. Dat hij de exploitatie aan een ander overlaat, ontslaat hem in ieder geval niet van de plicht erop toe te zien dat er geen activiteiten in de inrichting plaatsvinden, die een slechte bedrijfsvoering opleveren.
De betrokkene heeft een onderzoeksplicht om te verifiëren of de bedrijfsvoering in overeenstemming is met de toepasselijke wet- en regelgeving.
Hoofdstuk 2.
Artikel 7.