Naast beoordelingsruimte zijn er imperatieve weigeringsgronden voor alcoholschenkende horecabedrijven en slijtersbedrijven. Op grond van artikel 8 lid 2 Alcoholwet moeten exploitanten en leidinggevenden voor zedelijk gedrag voldoen aan de eisen uit hoofdstuk 3 van het Alcoholbesluit. In artikel 31 Alcoholwet volgt het imperatieve karakter van de bepaling uit de zinsnede dat een vergunning ‘wordt ingetrokken’ (dus geen vorm van ‘kunnen’). Een betrokkene mag binnen de laatste vijf jaar bijvoorbeeld geen leidinggevende geweest zijn van een inrichting waarvan de vergunning is ingetrokken op grond van artikel 31 lid 1 sub c Alcoholwet. Dit geldt ook voor een inrichting die ten minste een maand is gesloten op grond van artikel 13b Opiumwet, artikel 174 Gemeentewet, of een verordening op grond van artikel 149 Gemeentewet. Het moet wel aannemelijk zijn dat betrokkene een verwijt kan worden gemaakt.
Hoofdstuk 2.
Artikel 8.