Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2

Artikel 2:2

Vergunningsduur

Onderdeel van Beleidsregel vergunningverlening terrassen Den Haag 2026

1.. Het college verleent een vergunning voor het plaatsen van een terras voor een bepaalde duur. Deze periode kan bestaan uit het zomerterrassenseizoen, het winterterrassenseizoen van 1 november tot 1 maart van het daarop volgende kalenderjaar, of een terrasjaar. 2.. Het college verleent een vergunning voor het plaatsen van een gevelterras op grond van artikel 3.1 als zomer-, winter- of jaarterras voor de duur van maximaal vijf terrasjaren. 3.. Het college verleent een vergunning voor het plaatsen van een eilandterras op grond van artikel 3.1 als zomer-, winter- of jaarterras voor de duur van maximaal vijf terrasjaren. 4.. Het college verleent een vergunning voor het plaatsen van terrassen direct aan en voor de gevel voor de duur van maximaal vijf terrasjaren. 5.. Het college verleent een vergunning voor het plaatsen van terrassen niet direct aan de gevel voor de duur van maximaal één terrasjaar. 6.. Het college verleent enkel een vergunning voor een parkeerplaatsterras op grond van artikel 3.2 als zomerterras voor de duur van maximaal vijf terrasjaren. 7.. Het college verleent een vergunning voor het plaatsen van terrassen op pleinen en in straten waar inrichtingsplannen gelden, op grond van de artikelen 3:3, 3:4 en 3:5, voor een terrasjaar, zodat de vergunningsduur binnen het betreffende gebied gelijktijdig eindigt. 8.. Het college kan gemotiveerd afwijken van het bepaalde in dit artikel en een kortere vergunningsduur vaststellen indien dit gerechtvaardigd is door bijzondere omstandigheden.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel