Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2:

Artikel 11.

Weigeringsgronden

Onderdeel van Integrale Verordening Sociaal Domein Zuidplas 2026

1.. Het college verstrekt geen maatwerkvoorziening als: cliënt voor de Wmo 2015 geen inwoner is van de gemeente Zuidplas of volgens de in artikel 1.1 van de Jeugdwet genoemde woonplaats niet onder de verantwoordelijkheid van de gemeente Zuidplas valt; de cliënt op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg, met hulp van andere personen uit zijn sociaal netwerk in staat is tot zelfredzaamheid of participatie, of met gebruikmaking van algemene, algemeen gebruikelijke voorzieningen of andere voorzieningen de beperkingen kan wegnemen; hulp of ondersteuning aan een jeugdige niet noodzakelijk is op grond van een psychisch probleem of stoornis, psychosociaal probleem, gedragsprobleem of beperking, maar die voortkomt uit een behoefte die past bij de normale ontwikkeling van de jeugdige van een bepaalde leeftijd. Bij de beoordeling hiervan gelden de uitgangspunten uit hoofdstuk 4 van de beleidsregels indicatiestelling Wlz (zie toelichting bij de verordening); indien de voorziening voor een persoon als cliënt algemeen gebruikelijk is. Om te bepalen of de aanschaf van een voorziening financieel haalbaar is voor mensen met een inkomen op minimumniveau wordt de volgende rekenwijze toegepast: de kosten van de voorziening worden vergeleken met 5% van de geldende bijstandsnorm x 3 jaar. Wanneer de kosten van de voorziening lager zijn dan het berekende bedrag wordt de voorziening aangemerkt als zijnde algemeen gebruikelijk; indien gebrek aan financiële draagkracht de reden is voor het doen van een aanvraag voor reguliere voorliggende voorzieningen, voorbeelden hiervan zijn: huiswerkbegeleiding, begeleiding bij zwemles en bijdragen voor maatschappelijke activiteiten/sport.; indien de situatie van de cliënt niet (goed) kan worden beoordeeld doordat hij niet voldoet aan de medewerkingsplicht, bedoeld in artikel 2.3.8, derde lid, van de Wmo 2015 en zoals bedoeld in artikel 8.1.2, derde lid, van de Jeugdwet; in de gevallen, bedoeld in artikel 2.3.5, zesde lid en 2.3.6, vijfde lid, van de Wmo 2015; in de gevallen, bedoeld in artikel 1.2, eerste en tweede lid, en 8.1.1, vierde lid van de Jeugdwet; indien deze geen passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven voor zover de aanvraag betrekking heeft op een voorziening die de belanghebbende vóór de melding heeft gerealiseerd of heeft geaccepteerd, tenzij het college daarvoor schriftelijk toestemming heeft verleend of tenzij achteraf nog valt vast te stellen dat de voorziening noodzakelijk was en als goedkoopst adequate voorziening aan te merken valt; of voor zover een voorziening als die waarop de aanvraag betrekking heeft reeds eerder in het kader van enige wettelijke bepaling of regeling is verstrekt en de normale afschrijvingstermijn van de voorziening nog niet verstreken is, tenzij de eerder vergoede of verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen, of tenzij de cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoetkomt in de veroorzaakte kosten. Als jeugdige of zijn ouder(s) weigeren mee te werken aan het verkrijgen van een besluit op basis van de Wet langdurige zorg, terwijl er gegronde redenen zijn die aannemelijk maken dat de jeugdige recht heeft op een dergelijk besluit. 2.. Het college verstrekt geen woonvoorziening: voor zover de beperkingen voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen; in of aan Wlz-instellingen, ten behoeve van hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantie- en recreatiewoningen, ADL-clusterwoningen en gehuurde kamers, met uitzondering van een voorziening voor verhuizing en inrichting; voor zover het voorzieningen betreft in openbare en publieke gebouwen en in specifiek voor gehandicapten of ouderen bedoelde gebouwen; voor zover het voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten betreft, anders dan automatische deuropeners, hellingbanen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, het aanbrengen van vlonders of het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte, met uitzondering van een voorziening voor verhuizing en inrichting; indien de noodzaak het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding bestaat op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid of participatie en er geen belangrijke reden voor verhuizing aanwezig is; indien de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn beperkingen op dat moment meest geschikte woning, tenzij daar vooraf schriftelijk toestemming is verleend door het college. voor zover het een voorziening betreft in het kader van de toegankelijkheid van de buitenruimte (tuin, balkon) als de buitenruimte voor cliënt reeds toegankelijk is via een andere toegang. 3.. Voor beschermd- en beschut wonen geldt dat er geen toegang is tot deze voorziening als de cliënt uitsluitend (feitelijk) dakloos is of slachtoffer van huiselijk geweld. 4.. Voor maatschappelijke opvang geldt dat de toegang kan worden geweigerd wanneer: een cliënt zich (na toegang tot de opvangvoorziening) niet houdt aan de huisregels; een cliënt onveiligheid en overlast veroorzaakt; een cliënt niet bereid is om mee te werken aan een passend ondersteuningstraject; er sprake is van een tegenstellende indicatie waardoor een opvangtraject geen geschikte vorm van maatschappelijke ondersteuning voor een cliënt is; een cliënt zich ernstig misdraagt jegens andere cliënten in de opvang of richting medewerkers van de opvanginstelling; de eigen bijdrage (na veelvuldige waarschuwingen) niet betaald wordt; er in het geval van vrouwenopvang geen sprake is van huiselijk geweld en/of geweld in een afhankelijkheidsrelatie. 5.. Geen pgb wordt verstrekt als niet voldaan wordt aan de voorwaarden voor een pgb zoals bedoeld in hoofdstuk 4 artikelen 46 t/m 51. 6.. Het Collectief Vraagafhankelijke Vervoer (CVV) wordt niet verstrekt als vervoersmogelijkheid van en naar de dagbestedingslocatie. 7.. In aanvulling op lid zes wordt het CVV tevens niet verstrekt voor reizen van en naar zorgverlener/specialist, tenzij de aanvraag voor een vergoeding van ziekenvervoer vanuit de Zvw wordt afgewezen door zorgverzekeraar.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel