Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 4:

Artikel 16.

Vervoer naar jeugdhulp

Onderdeel van Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Gouda 2026

1.. Ouders zijn zelf verantwoordelijk voor het vervoer van hun kind naar en van de locatie waar jeugdhulp wordt geboden. 2.. Een vervoersvoorziening wordt alleen aan de jeugdige toegekend als naar het oordeel van het college is aangetoond dat er een noodzaak, op grond van het derde lid, bestaat tot inzet van deze voorziening. 3.. Het college kan vervoer naar Jeugdhulp toekennen voor een jeugdige als: Er sprake is van een medische noodzaak, bijvoorbeeld door een lichamelijke, verstandelijke, psychische of zintuiglijke beperking waardoor reizen met openbaar vervoer niet mogelijk is, óók niet met begeleiding; Ouders of het sociaal netwerk het vervoer op eigen kracht niet kunnen organiseren, of de afstand en frequentie van het vervoer de gebruikelijke hulp overstijgen. 4.. De medische noodzaak, zoals beschreven in het derde lid, onder a, wordt vastgesteld door een onafhankelijk arts of medisch specialist op grond waarvan het college de noodzakelijkheid beoordeelt. Voor individueel taxivervoer is een verklaring van een onafhankelijk arts vereist, waaruit de noodzakelijkheid voor individueel vervoer blijkt. 5.. Bij het beoordelen of vervoer de gebruikelijke hulp overstijgt, zoals beschreven in het tweede lid, onder b, hanteert het college de volgende berekening: (aantal maanden) × (aantal keren per week) × (aantal weken per maand) × (afstand enkele reis in kilometers) × 0,25. Als de uitkomst 250 of hoger is, kan vervoer worden toegekend. 6.. Vervoer wordt uitsluitend toegekend voor vervoersritten van en naar de locatie waar jeugdhulp plaatsvindt.

Rechtspraak bij dit artikel