Naar hoofdinhoud

Artikel 3

Te betrekken ruimtelijke aspecten en belangen

Onderdeel van Beleidsregel Dakopbouwen gemeente Utrecht

1.. Burgemeester en wethouders kunnen voor een dakopbouw op een woning een omgevingsvergunning verlenen, als de dakopbouw de gewenste (ruimtelijke) kwaliteit van de leefomgeving en belangen van omwonenden niet onevenredig aantast. 2.. Bij de afweging zoals bedoeld in lid 1 vindt een evenwichtige belangenafweging tussen: Het belang van de ruimtelijke kwaliteit van het object en de omgeving; Het belang van direct omwonenden, en; Het belang van de eigenaar van de woning. 3.. Bij de afweging zoals bedoeld in lid 1 betrekken burgemeester en wethouders de volgende ruimtelijke aspecten in samenhang: De bestaande dakvorm van de woning, waarbij geldt dat onderscheid wordt gemaakt tussen een dak met platte afdekking, kap met stahoogte en een kap zonder stahoogte. Het binnenterrein, waarbij geldt dat het betreffende binnenterrein voldoende maat moet hebben om ophoging van de aanliggende bebouwing mogelijk te maken. Hierbij spelen met name lichtinval, bezonning, privacy en zicht op lucht en het effect van hogere wandvorming op de beleving van het binnenterrein een rol. Het straatprofiel, waarbij geldt dat het betreffende straatprofiel voldoende ruim bemeten moet zijn om dakopbouwen aan één of twee zijden van de straat toe te voegen. Hierbij spelen lichtinval en bezonning van de straat, privacy, zicht op lucht, het voorkomen van hittestress, zichtbaarheid van de dakopbouw vanaf de straat, de functie van de straat, de ligging van het gebied in de stad, de ontstaansgeschiedenis en de verhoudingen tussen straatbreedte en hoogte van de omliggende bebouwing een rol. Hoogte van omliggende bebouwing; waarbij geldt dat het toevoegen van een dakopbouw zich moet verhouden tot de voorkomende hoogtes van de bebouwing in het omliggend stedelijk gebied, waarbij ook de positie binnen de stedenbouwkundige structuur en het type van een rij woningen wordt meegewogen. Ensemblewaarde, waarbij geldt dat bij waardevolle ensembles de waarde behouden blijft en de ruimtelijk kwaliteit van de stedenbouwkundige en architectonische samenhang herkenbaar blijft; in beschermde stads- en dorpsgezichten moet de kwaliteit en de karakteristiek bewaard blijven. Architectuur, waarbij geldt dat de architectuur van de woning van invloed is op de aanvaardbaarheid en positionering van de dakopbouw op het dakvlak. Hierbij wordt uitgegaan van een toevoeging aan het hoofdvolume die past bij het type dakopbouw en bij de architectonische uitstraling van de woning; bij monumenten moet de architectonische waarden beschermd en bewaard blijven. 4.. De maximale bouwhoogte van een dakopbouw is in principe gelijk aan de minimaal vereiste hoogte voor ‘verblijfsruimten’ in de technische regelgeving, geldend op het moment van het indienen van de aanvraag omgevingsvergunning plus 0,7 meter voor de dakconstructie. 5.. Duurzaamheidsmaatregelen, zoals het klimaatadaptief maken van daken van dakopbouwen of het plaatsen van zonnepanelen op dakopbouwen zijn gewenst. 6.. Burgemeester en wethouders kunnen een trendsetter van een bestaande legale dakopbouw aanwijzen, waarop volgende dakopbouwen moeten aansluiten qua positionering, afmetingen, detaillering en kleur- en materiaalgebruik, zodat met een nieuwe dakopbouw zoveel mogelijk één bebouwingsbeeld ontstaat.

Rechtspraak bij dit artikel