Naar hoofdinhoud

Artikel 4

Precedentwerking

Onderdeel van Beleidsregel Dakopbouwen gemeente Utrecht

1.. Burgemeester en wethouders kunnen, wanneer de dakopbouw niet binnen de evenwichtige belangenafweging zoals bedoeld in artikel 3 past en daarom niet gewenst is, toch een omgevingsvergunning voor een dakopbouw verlenen als in een seriematige rij woningen al meerdere vergelijkbare vergunde dakopbouwen aanwezig zijn, waardoor het oorspronkelijke bebouwingsbeeld al dusdanig is aangetast, dat de hoofdvorm van de bebouwing in de rij niet meer herkenbaar is. 2.. Een dakopbouw is vergelijkbaar, zoals bedoeld in lid 1, als: de eerder verleende vergunning is afgegeven voor een dakopbouw op een woning die binnen dezelfde rij ligt; en de eerder verleende vergunning is afgegeven voor een dakopbouw op een woning die binnen de rij hetzelfde woningtype betreft; en de stedenbouwkundige situering van de woning waarvoor een omgevingsvergunning voor een dakopbouw is aangevraagd vergelijkbaar is met de eerder verleende vergunning. 3.. Illegale dakopbouwen, vergunningen voor dakopbouwen die van rechtswege zijn verleend en dakopbouwen in Rijks- of gemeentelijke beschermde stads- en dorpsgezichten kunnen geen precedentwerking hebben. 4.. Burgemeester en wethouders kunnen een bestaande vergunde dakopbouw aanwijzen, waarop de dakopbouw uit de aanvraag omgevingsvergunning moet aansluiten qua positionering, afmetingen, detaillering en kleur- en materiaalgebruik, zodat met een nieuwe dakopbouw zoals bedoeld in lid 1 zoveel mogelijk één bebouwingsbeeld ontstaat.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel