Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 2.1

Eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen (eigen kracht)

Onderdeel van Nadere regels en beleidsregels maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Bunnik

De inzet van hulp en ondersteuning is uitsluitend bedoeld om mogelijkheden te bieden door middel van individuele voorzieningen en maatwerkvoorzieningen als het de jeugdige en/of de ouder(s) niet lukt om op eigen kracht het probleem op te lossen. De actuele hulpvraag van de jeugdige en/of de ouder(s) vormt doorgaans het uitgangspunt voor de gekozen oplossingsrichting en bijbehorende mogelijkheden. Onder eigen kracht wordt samenvattend in ieder geval verstaan: gebruikelijke hulp van ouder(s) en/of andere verzorgers of opvoeders; bovengebruikelijke hulp van ouder(s) voor zover zij beschikbaar en in staat zijn de noodzakelijke hulp te bieden, dit geen (dreigende) overbelasting oplevert en door het bieden van de bovengebruikelijke hulp geen financiële problemen in het gezin ontstaan; ondersteuning van en uit het sociale netwerk; de inzet van informele hulp; het gebruik maken van algemene voorzieningen; het aanspreken van voorliggende wetgevingen, zoals onder andere de Wet Passend Onderwijs, de Wet Kinderopvang, de Zorgverzekeringswet en de Wet Langdurige Zorg. Bij het onderzoek naar eigen kracht en oplossend vermogen worden de volgende uitgangspunten gehanteerd: Voor het oplossen van een probleem is de jeugdige en/of de ouder(s) primair zelf verantwoordelijk; De jeugdige en/of de ouder(s) volgt de adviezen op van het Centrum voor Elkaar en andere betrokken professionals ten aanzien van de inzet van eigen kracht en eigen mogelijkheden; Uit het oogpunt van fysiek en geestelijk welbevinden van de jeugdige en/of zijn ouder(s) gaat de gemeente uit van alle beschikbare mogelijkheden ten aanzien van het bevorderen van de zelfredzaamheid en participatie vanuit Positieve Gezondheid. Bij deze benadering staat een betekenisvol leven van mensen centraal, waarbij de nadruk ligt op veerkracht, eigen regie en het aanpassingsvermogen van de mens en niet op specifieke beperkingen of ziektebeeld; De jeugdige en/of de ouder(s) doet er alles aan om de noodzaak tot (meer) hulp en ondersteuning te voorkomen en treft de maatregelen die hiervoor nodig zijn; De jeugdige en/of de ouder(s) anticipeert op de toekomst door rekening te houden met voorziene en/of voorspelbare mogelijkheden om (meer) hulp en ondersteuning te voorkomen; Voor het (toekomstig) beschikbaar en betaalbaar houden van hulp en ondersteuning, verwachten we van (meer) draagkrachtige personen dat zij waar mogelijk de zelfstandige bekostiging van hulp in overweging nemen. Artikel 2.2 Gebruikelijke hulp aan jeugdigen Gebruikelijke hulp wordt beschreven als hulp en zorg die naar algemeen aanvaarde maatstaven in redelijkheid mag worden verwacht van ouder(s) en/of andere verzorgers of opvoeders. Het college hoeft geen voorziening voor jeugdhulp toe te kennen voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen toereikend zijn. Dit volgt uit artikel 2.3 van de Jeugdwet en de jurisprudentie1Centrale Raad van Beroep d.d. 1 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1477. Dat wordt ook wel eigen kracht genoemd. Terwijl de eigen kracht ziet op het hele gezinssysteem, gaat het bij gebruikelijke hulp om de hulp die ouder(s) aan hun kind kunnen bieden. Uit de jurisprudentie volgt ook dat bovengebruikelijke hulp onder omstandigheden van ouder(s) mag worden verwacht2Centrale Raad van Beroep d.d. 17 juli 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2362. 1 Centrale Raad van Beroep d.d. 1 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1477 2 Centrale Raad van Beroep d.d. 17 juli 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2362 Artikel 2.2.1 Hoofdlijnen gebruikelijke hulp Voor de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid van hun kind zijn ouder(s) verantwoordelijk voor: een veilige en beschermende woonomgeving (zowel fysieke en sociale veiligheid); een passend pedagogisch klimaat en stimulans in de ontwikkeling van de jeugdige; verzorging, begeleiding en opvoeding. Het is gebruikelijk dat ouder(s) hun kind de dagelijkse zorg, hulp en ondersteuning bieden die past bij de levensfase van het kind. Het kan ook gaan om activiteiten die niet standaard bij alle jeugdigen noodzakelijk zijn, maar die wel als gangbare hulp en zorg van ouder(s) aan kinderen kunnen worden gezien. Bij jeugdigen met een chronische aandoening, ziekte, stoornis of beperking is het gebruikelijk dat ouder(s) zo veel mogelijk de dagelijkse zorg leveren, ook als dat meer is dan gemiddeld bij gezonde kinderen van dezelfde leeftijd. Dit is een belangrijk uitgangspunt. Immers, ook bij gezonde kinderen van dezelfde leeftijd verschilt de inzet van de dagelijkse zorg van kind tot kind. Het ene kind ontwikkelt zich nu eenmaal anders dan het andere kind en heeft meer of minder begeleiding en zorg nodig. Uit een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) (voetnoot 1en 2) kan worden afgeleid dat bovengebruikelijke hulp onder bepaalde omstandigheden ook van ouder(s) kan worden verwacht en dus onder 'eigen kracht' kan vallen. Om dat vast te stellen moet college goed onderzoeken of sprake is van voldoende eigen kracht van ouder(s). Uit de uitspraak van de CRvB volgt dat de volgende factoren in ieder geval van belang zijn: de behoefte en de mogelijkheden van de jeugdige; de voor de jeugdige benodigde ondersteuningsintensiteit en de duur daarvan; de mogelijkheden, de draagkracht en belastbaarheid van ouder(s)/het netwerk; de samenstelling van het gezin en de woonsituatie; het belang van de ouder(s) om te voorzien in een inkomen. Als uit onderzoek naar deze factoren volgt dat de ouder(s) de benodigde hulp kunnen bieden zonder dat dit tot problemen leidt op één van deze terreinen, dan kan de gemeente concluderen dat sprake is van voldoende eigen kracht. Indien noodzakelijk kunnen ouder(s) een beroep doen op inkomensregelingen van de gemeente. Ook wordt er een redelijkheidstoets gedaan: wat mag in redelijkheid verwacht worden van de ouder(s) en hun netwerk in de betreffende situatie. Dit gaat verder dan de vraag of de geboden ondersteuning als normaal of gangbaar gezien kan worden. Dit is ter afweging aan de consulent in overleg met de aanvrager. De beoordeling of hulp gebruikelijk is, hangt mede af van de leeftijd van het kind. De meeste kinderen vanaf 4 jaar zijn overdag zindelijk en gaan zelf naar het toilet, maar het is niet ongewoon dat een kind van deze leeftijd hier stimulans, hulp of toezicht bij nodig heeft. Ook bij andere ADL-activiteiten heeft het ene kind meer en/of langer sturing en begeleiding nodig dan het andere. Als een kind van 10 jaar nog toezicht nodig heeft bij het tandenpoetsen, is het gebruikelijk dat de ouder dit toezicht biedt. Van ouder(s) kan worden verwacht dat zij hun kind (voorbeelden van gebruikelijke hulp): begeleiden naar activiteiten zoals muziekles, zwemles en sport; begeleiden naar het ziekenhuis. Deze uren kunnen wel meegewogen worden in het totaalplaatje van de (over)belasting van de ouder(s) voor de zorg van hun kind; ondersteunen bij het leren valt in de regel onder ofwel gebruikelijke zorg, ofwel onder onderwijs, niet onder jeugdhulp; begeleiden bij plannen en structureren van dagindeling, (huis)werk en vrijetijdsbesteding; vervoeren naar de locatie waar jeugdhulp geboden wordt. Artikel 2.2.2 Uitval of overbelasting van een ouder Bij uitval van één van de ouders neemt de andere ouder de gebruikelijke zorg voor de jeugdige over. Hiervoor moet de ouder, als dat mogelijk is, aanspraak maken op zorgverlof. Is dit niet mogelijk, dan wordt gekeken naar andere voorliggende voorzieningen (kinderopvang, opvang op school, naschoolse opvang). Daarbij wordt gekeken naar wat in redelijkheid met mantelzorg (sociaal netwerk van het gezin) kan worden opgevangen. Zijn deze mogelijkheden maximaal benut of afwezig, dan is toewijzing van een individuele voorziening vanuit de jeugdhulp mogelijk. Hetzelfde geldt voor de uitval van de ouder in een éénoudergezin. Is geen hulp vanuit het eigen netwerk mogelijk, dan kan jeugdhulp worden ingezet, tenzij er alternatieven zijn in de vorm van een algemene voorziening (zoals maatjes, inzet vrijwilligers, etc.). Wanneer de uitval van de ouder naar verwachting langer gaat duren en een langduriger oplossing nodig is, wordt naar een alternatieve en meer blijvende oplossing gezocht. Hierbij wordt ook de aanwezigheid van mantelzorg betrokken. Sommige hulp kan vanuit de Zorgverzekeringswet of de Wet Langdurige Zorg worden ingezet, zeker als het kind ernstig en langdurig gehandicapt is. De zorg voor een jeugdige kan zo zwaar worden, dat overbelasting bij de ouder(s) ontstaat. Om voor jeugdhulp in aanmerking te komen, moet de overbelasting van de ouder veroorzaakt worden door de hulp aan de jeugdige. Bij overbelasting door een drukke baan en/of nevenactiviteiten, ligt de verantwoordelijkheid voor een oplossing hier in eerste instantie bij de ouder(s) zelf. Bijvoorbeeld in aanpassingen in de leefsituatie, op het werk en/of in de nevenactiviteiten. Bij de eventuele toewijzing van jeugdhulp wordt hier eerst naar gekeken. Wanneer een nieuwe/ herhaalde zorgtoewijzing wordt aangevraagd, wordt gekeken of en welke (aantoonbare) inspanningen zijn gedaan om de overbelasting terug te dringen. Ook hier wordt bij de zorgtoewijzing rekening mee gehouden. Het kan zijn dat er sprake is van andere factoren waardoor ouder(s) geen of niet voldoende gebruikelijke hulp kunnen leveren, zoals bij jeugdigen met ernstige verslavingsproblematiek en/of psychiatrische problematiek, of wanneer de ouder(s) zelf met een licht verstandelijke beperking hebben. In alle gevallen zal eerst naar de eigen mogelijkheden en een voorliggend aanbod gekeken worden voor jeugdhulp aangevraagd kan worden. Vervoersvoorziening jeugdhulp gemeente Bunnik Deze nadere regels behoren bij artikel 3.4 van de verordening en zijn gebaseerd op de uitgangspunten van de Jeugdwet. Ze stellen onder welke voorwaarden het college een vervoersvoorziening toekent voor vervoer van en naar jeugdhulpinstellingen en op welke wijze dit gebeurt. Uitgangspunt blijft de eigen verantwoordelijkheid van ouder(s) en het benutten van eigen kracht en voorliggende voorzieningen. Artikel 2.3 Begripsbepalingen vervoersvoorzieningen In deze nadere regels vervoersvoorzieningen worden de begrippen uit de verordening gehanteerd. Aanvullend gelden de volgende definities: Vervoersvoorziening jeugdhulp: een voorziening in natura of als financiële tegemoetkoming voor vervoer van de jeugdige naar en van de locatie waar jeugdhulp wordt geboden, indien dit vervoer niet door ouder(s) of het netwerk kan worden verzorgd. Eigen vervoer: vervoer met een vervoermiddel dat eigendom is van of beschikbaar is voor de ouder(s), jeugdige of het netwerk, zoals auto, (elektrische) fiets, bakfiets of brommer, mits passend en verantwoord. Aangepast vervoer: speciaal vervoer (bijv. taxi, taxibus, schoolbus) dat is afgestemd op de beperkingen van de jeugdige. Openbaar vervoer: openbaar toegankelijk personenvervoer per bus, trein, tram, metro of veerdienst. Begeleider: de persoon die de jeugdige tijdens het vervoer begeleidt (ouder, familielid, vrijwilliger of aangewezen begeleider). Reistijd: de tijd tussen vertrek van het woonadres en aankomst op de locatie van de jeugdhulp (of omgekeerd), inclusief overstap- en wachttijd. Woning: de plaats waar de jeugdige feitelijk en structureel verblijft. Zelfredzaamheid: het vermogen van de jeugdige om zich zelfstandig te verplaatsen, gelet op leeftijd, ontwikkeling en eventuele beperkingen. Voorliggende voorziening: andere wettelijke regeling of voorziening die vervoer reeds dekt, zoals het Leerlingenvervoer, Wmo-vervoer of vervoer op grond van de Wet langdurige zorg.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel