Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 1

Artikel 5

Draagkracht

Onderdeel van Beleidsregels bijzondere bijstand 2026 Gemeente Berg en Dal

1.. De ingangsdatum draagkrachtperiode wordt vastgesteld op de eerste dag van de maand waarin de kosten worden gemaakt. De draagkrachtperiode geldt voor de duur van twaalf maanden, gerekend vanaf de eerste dag van de desbetreffende maand. 2.. Voor de volgende groepen is er geen sprake van draagkracht: personen met een uitkering krachtens de Participatiewet; belanghebbenden met een aantoonbaar minnelijke of wettelijke schuldregeling; 3.. Voor de volgende groepen hoeft de draagkracht niet jaarlijks opnieuw te worden vastgesteld, maar geldt deze totdat er een wijziging in inkomen, vermogen, leefsituatie of woonsituatie optreedt: pensioengerechtigden, mensen met een Wajong-uitkering, WIA- uitkering, Anw-uitkering. 4.. Voor de 18, 19 of 20 jarige in een inrichting met bijzondere bijstand voor levensonderhoud wordt bij het bepalen van de draagkracht uitgegaan van de bijzondere bijstand als genoemd in artikel 10 van deze beleidsregel. 5.. Voor personen met een IOAW- of IOAZ –uitkering moet de draagkracht uit vermogen beoordeeld worden. 6.. De draagkracht bedraagt: 35% van het meerinkomen 100% van het vermogen boven het vrij te laten vermogen (artikel 34 PW), op de eerste dag van de maand waarin de kosten worden gemaakt. 7.. Voor de volgende kosten bedraagt de draagkracht, in afwijking van lid 7, sub a, 100% van het inkomen boven de van toepassing zijnde bijstandsnorm: Woonkostentoeslag; Beschermingsbewind, bewindvoeringskosten, budgetbeheer, curatele en mentorschap; 8.. Indien binnen de vastgestelde draagkrachtperiode sprake is van een inkomensstijging of daling, of een wijziging in de leefsituatie die leidt tot een andere bijstandsnorm waar het inkomen tegen wordt afgezet, dan wordt de draagkracht per de eerste van de maand waarin de wijziging plaatsvindt gewijzigd, als het een wijziging betreft van 15% of meer. 9.. Indien een roerend goed deel uitmaakt van het vermogen van de aanvrager dan: wordt bij een eerste auto of motor de meerwaarde boven € 5.000,- meegenomen in het vermogen als de dagwaarde hoger is dan € 5.000. wordt de dagwaarde van overige roerende goederen volledig meegenomen in de vermogensvaststelling als deze vanwege hun aard niet algemeen gebruikelijk zijn. 10.. De vrijlating in lid 9 wordt uitsluitend toegepast op één auto per huishouden. Eventuele extra voertuigen worden volledig in aanmerking genomen bij het vaststellen van het vermogen (zonder vrijlating).

Rechtspraak bij dit artikel