1.. Het college beoordeelt de eigen mogelijkheden van jeugdige en ouders conform de afwegingsfactoren genoemd in artikel 5.2.

2.. Een vervoersvoorziening wordt – voor zover naar het oordeel van het college noodzakelijk in verband met een medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid – alleen verstrekt aan de jeugdige ten behoeve van het vervoer van de jeugdige naar en van de locatie waar de jeugdhulp plaatsvindt, mits niet vanuit andere regelingen of instanties vergoed.

3.. Er is sprake van een medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid in de volgende situaties:

  • - de jeugdige kan niet reizen met eigen vervoer of het openbaar vervoer, ook niet onder begeleiding van een volwassene, en ouders beschikken niet over passend vervoer om de jeugdige naar de jeugdhulp locatie te vervoeren; en
  • - er is door ouders aangetoond dat ouders of andere personen uit het sociaal netwerk niet in staat kunnen worden geacht om zorg te dragen voor de begeleiding en het vervoer; en
  • - de afstand naar de jeugdhulplocatie is meer dan 6 kilometer, gemeten over de weg met behulp van de ANWB-routeplanner met de optie de kortste route per auto.

4.. Er is geen sprake van een medische noodzaak of beperking in de zelfredzaamheid in de volgende situaties:

  • - ouders kunnen hun kind niet naar de jeugdhulplocatie vervoeren vanwege beïnvloedbare werkverplichtingen;
  • - ouders hebben gekozen voor een jeugdhulpaanbieder buiten de regio, terwijl een vergelijkbaar aanbod binnen de regio beschikbaar is;
  • - de jeugdige is in staat is om zelfstandig met eigen vervoer of met het openbaar vervoer te reizen;
  • - ouders geven aan onvoldoende financiële middelen te hebben voor de reiskosten, hiervoor zijn de regelingen binnen de Participatiewet voorliggend;
  • - ouders die op basis van een andere wet of verzekering in aanmerking komen voor een vergoeding van de vervoerskosten.

5.. Indien naar het oordeel van het college een passende voorziening beschikbaar is waarvoor geen vervoer geïndiceerd hoeft te worden, is deze voorziening voorliggend op een individuele voorziening waarvoor wel vervoer geïndiceerd moet worden.

6.. De vaststelling van de noodzaak van een vervoersvoorziening, zoals gesteld in lid 2 en 3 van dit artikel, wordt uitgevoerd door het college of de Gecertificeerde Instelling in het kader van reclassering of een kinderbeschermingsmaatregel.