1.. Indien de inburgeringsplichtige niet of onvoldoende meewerkt aan de inburgeringsverplichting, handhaaft het college overeenkomstig de Wet inburgering en het Besluit inburgering.

2.. Het college legt slechts een boete op indien sprake is van herhaaldelijk of ernstig verwijtbaar niet meewerken en lichtere middelen niet toereikend zijn gebleken. In alle andere gevallen volstaat het college met een waarschuwing of andere passende maatregel in plaats van een boete.

3.. Het college legt een lagere boete op dan vastgesteld in artikel 7.1.1 van het Besluit als op basis van de reactie van de inburgeringsplichtige aannemelijk is dat de boete vanwege bijzondere omstandigheden te hoog is.

4.. De stelplicht en bewijslast van feiten en omstandigheden die aanleiding kunnen geven voor verlaging van de boete rust op betrokkene. Als het college op de hoogte is van bijzondere omstandigheden, wordt daarmee bij het opleggen van de boete rekening gehouden.