Houders zijn primair verantwoordelijk voor de kwaliteit van hun aanbod. Ouders moeten er ook op kunnen vertrouwen dat het college adequate maatregelen neemt als de kwaliteit van de kinderopvang tekortschiet. Of de kwaliteit van de kinderopvang tekortschiet blijkt doorgaans uit inspectierapporten van de toezichthouder. Het niet naleven van de kwaliteitseisen kan echter ook door het college zelf worden vastgesteld.

Het college verwacht van houders in de kinderopvang dat zij verantwoorde en kwalitatief goede kinderopvang aanbieden en structurele maatregelen nemen om incidentele overtredingen op te heffen en te voorkomen. Daarnaast verwacht het college van houders met meerdere locaties dat zij maatregelen, indien van toepassing, op organisatieniveau doorvoeren. Daarmee is gewaarborgd dat een vastgestelde overtreding niet wordt herhaald op één van de andere locaties. Daar waar dat nodig is grijpt het college in via handhaving.

Het college gebruikt daarbij verschillende handhavingsinstrumenten om, waar nodig, kinderopvang-organisaties tot naleving van de kwaliteitseisen te bewegen en heeft daarbij de volgende uitgangspunten:

  • - vasthouden van kwalitatief goede kinderopvang;
  • - verbeteren van minder goede kinderopvang;
  • - snel structureel herstel daar waar de kwaliteit tekortschiet;
  • - (tijdelijke) sluiting van locaties waar de kwaliteit ernstig en/of structureel tekortschiet.

Gezien het algemene belang van handhaving ziet het college alleen in uitzonderlijke gevallen af van handhaving. Het college weegt bij elke handhaving die hij inzet mee welke maatregel het meest geschikt, passend en noodzakelijk is. Daarmee is handhaving maatwerk. Het college streeft ernaar voor iedere situatie passende maatregelen te treffen die leiden tot een spoedig herstel van de overtreding(en).