Bij de inzet van handhaving denkt het college in effect, in alle fases van het toezicht en handhaving. Dat betekent dat het college bij de keuze van handhavingsinstrumenten kiest voor de instrumenten die het snelt en meest effect hebben.
Het college spreekt houders aan op de eigen verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van hun aanbod. Zodra de kwaliteit tekortschiet, spoort het college de houder aan om deze tekortkoming(en) snel en structureel te herstellen. Het resultaat van bijvoorbeeld een herstelaanbod kan voor het college reden zijn om niet direct bestuurlijk te handhaven. Door kinderopvanghouders hiertoe in de gelegenheid te stellen, worden tekortkomingen eerder hersteld en kan het college onnodig handhaven voorkomen. Dat kan bijvoorbeeld passend zijn als overtredingen zijn hersteld of als uit het inspectierapport blijkt dat een overtreding redelijkerwijs binnen afzienbare periode is hersteld.
Deze werkwijze kan worden toegepast wanneer de houder eerder voldoende nalevingsbereidheid heeft getoond en direct is begonnen met het nemen van verbetermaatregelen. Ook is het van belang dat sprake is van een kwalitatief goede en transparante bedrijfs- en beleidsvoering, waarbij geen twijfel bestaat over de naleving. Daarvoor zijn onder andere een inzichtelijke en transparante organisatie, beleidsvoering en administratie van belang. De houder moet het college op de hoogte houden van de genomen verbetermaatregelen. Ook kan de toezichthouder (nader) onderzoek uitvoeren om te beoordelen in hoeverre de houder daadwerkelijk zelf zorgdraagt voor kwaliteitsverbetering. Wanneer blijkt dat dit niet of onvoldoende het geval is, dan zet het college alsnog bestuurlijke handhaving in om de naleving van de kwaliteitseisen af te dwingen.
Het herstelaanbod heeft invloed op de inzet van handhaving. In het rapport is feitelijke informatie opgenomen over de mate van herstel en de nalevingsbekwaamheid en -bereidheid van de houder. Het college weegt dit mee in het handhavingsbesluit en blijft altijd bevoegd om een herstelmaatregel op te leggen. Ook kan het college na herstel een bestuurlijke boete opleggen voor de overtreding die in het verleden is begaan.
Het college maakt gebruik van de volgende handhavingsmaatregelen:
Traject
Handhavingsmiddel
Formeel herstellend
Aanwijzing
Last onder dwangsom / last onder bestuursdwang
Schriftelijk bevel
Exploitatieverbod
Intrekken toestemming tot exploitatie en verwijderen uit het LRK
Formeel bestraffend
Bestuurlijke boete
De aanwijzing
Met de aanwijzing zet het college in op structurele verbetering. Dat betekent dat de overtreding niet alleen moet worden opgeheven, maar dat een houder ook maatregelen moet nemen om te voorkomen dat hij de overtreding opnieuw begaat. In de aanwijzing staat welke maatregelen de houder, binnen welke termijn, moet nemen om aan de wet te voldoen. Een aanwijzing kan ook een concretisering van wettelijke regels bevatten voor de specifieke situatie.
De aanwijzing blijft geldig, ook nadat de overtreding is hersteld. Het college betrekt deze aanwijzing bij handhavingsbesluiten in de opvolgende 3 jaar.
De aanwijzing is doorgaans de meest passende handhavingsmaatregel waarvan het college gebruik kan maken. Met de aanwijzing maakt het college aan een overtreder duidelijk dat die ten allen tijde aan het opgenomen voorschrift moet voldoen. Daarmee is de aanwijzing in de eerste plaats ook de minst ingrijpende handhavingsmaatregel waarvan het college gebruik kan maken.
De last onder dwangsom
Als de aanwijzing niet tot structureel herstel van de overtreding heeft geleid, legt het college in principe een last onder dwangsom op. Het college kan ook direct een last onder dwangsom opleggen zonder dat eerst een aanwijzing is gegeven. Met een last onder dwangsom legt het college de houder de plicht op om maatregelen uit te voeren binnen een aangegeven termijn. Als een houder binnen de hersteltermijn de overtreding opheft en/of niet herhaalt, hoeft deze de dwangsom niet te betalen.
Is vastgesteld dat een overtreding niet is opgeheven of is herhaald, dan moet de houder de dwangsom betalen. Met een last onder dwangsom kan op meerdere herhalingen van de overtreding worden gehandhaafd. Een last onder dwangsom kent daarvoor een maximumbedrag.
De last onder dwangsom is de best geschikte handhavingsmaatregel waarvan het college gebruik kan maken na de aanwijzing, als sluiting van de opvang (nog) niet proportioneel is. Wordt de overtreding na het opleggen van een last onder dwangsom toch herhaald, dan heeft dat financiële gevolgen zonder dat de bedrijfsvoering wordt onderbroken. Daarmee is de last onder dwangsom een handhavingsmaatregel met een gedoseerde financiële prikkel om de overtreding structureel op te heffen.
Verlengen van een bevel
Als de toezichthouder een schriftelijk bevel heeft opgelegd en de overtreding(en) zijn naar het oordeel van de toezichthouder niet of onvoldoende hersteld, dan verlengt het college het bevel met minimaal 7 dagen en zolang de houder nodig heeft om de overtreding(en), naar het oordeel van de toezichthouder, structureel te herstellen.
Sluiting van de kinderopvang: het exploitatieverbod
Zodra uit een inspectieonderzoek blijkt dat geen sprake (meer) is van verantwoorde kinderopvang sluit het college de kinderopvang tijdelijk. Ook kan de kinderopvang gesloten worden zolang de houder een bevel van de toezichthouder of aanwijzing niet opvolgt.
Daarnaast gaat het college over tot tijdelijke sluiting bij locaties waar de kwaliteit structureel ondermaats is. Eerdere minder zware handhavingsmaatregelen hebben dan niet tot (structureel) herstel geleid. Bij deze tijdelijke sluiting moet de kinderopvang gesloten blijven, zolang niet aan de kwaliteitseisen wordt voldaan. Pas als de houder aantoont dat de kwaliteit verbeterd is en blijft, mag de kinderopvang weer open. De toezichthouder beoordeelt dit tijdens een inspectieonderzoek.
Het sluiten van een locatie voor kinderopvang is een ingrijpende maatregel die niet alleen gevolgen heeft voor de houder maar ook voor diens personeel, ouders en kinderen. In de hiervoor beschreven situaties is sluiting van een locatie noodzakelijk. Het belang van ouders en kinderen bij kwalitatief goede kinderopvang weegt altijd zwaarder dan het belang van continuïteit van opvang of een financieel belang. Met een gesloten locatie kan de houder zich samen met het personeel volledig richten op herstel van de kwaliteit van opvang zonder dat (emotionele) veiligheid en/of gezondheid van de opgevangen kinderen nog langer in het geding is.
Bij een gastouder kan het college sneller over gaan tot sluiting van de opvangvoorziening bij ernstige overtredingen. De kwaliteit van de opvang is namelijk onlosmakelijk verbonden aan de betreffende gastouder en het college kan daarom minder snel verbetering na herhaling van overtredingen verwachten.
Als het college een kinderopvanglocatie sluit, moet de houder de ouders zelf op de hoogte stellen van deze sluiting. Daarnaast publiceert het college de (tijdelijke) sluiting.
Intrekken toestemming
Lukt het de houder na sluiting van een locatie niet om (binnen redelijke termijn) de overtredingen structureel op te heffen dan kan het college de toestemming tot exploitatie intrekken. Ook als een houder de kwaliteitseisen structureel niet naleeft, na verbetering opnieuw overtredingen begaat, veel en/of ernstige overtredingen of overtredingen die redelijkerwijs niet kunnen worden hersteld, sluit het college de kinderopvang definitief. Dit doet zij door de toestemming tot exploitatie in te trekken en de voorziening te verwijderen uit het LRK.
Een onvermijdelijke ingreep als de houder voldoende gelegenheid heeft gehad om de kwaliteit van opvang te herstellen en dit, naar het oordeel van de toezichthouder, niet is gelukt.
Het college kan de toestemming ook direct intrekken bijvoorbeeld als:
- - niet langer wordt voldaan aan de definitie van kinderopvang, ouderparticipatiecrèche, gastouderopvang, gastouder of gastouderbureau;
- - er sprake is van (een) overtreding(en) die, naar het oordeel van de toezichthouder, niet hersteld kan (kunnen) worden.
De last onder bestuursdwang
De manier waarop de houder de kinderopvang wil vormgeven is aan de houder. Bij een last onder bestuursdwang neemt het college bepaalde maatregelen om de overtreding van de kwaliteitseis op te heffen. Dat maakt dat de last onder bestuursdwang doorgaans geen geschikt handhavingsmiddel is. Dit handhavingsmiddel is bijvoorbeeld wel geschikt om een kinderopvangvoorziening te sluiten en gesloten te houden bij overtreding van een exploitatieverbod. Alle kosten die gemaakt worden bij de bestuursdwang zijn voor rekening van de houder.
Bestuurlijke boete
Naast de handhaving gericht op herstel kan het college ook gebruik maken van de mogelijkheid bestuurlijke boetes op te leggen. Een boete bestraft een overtreding die in het verleden begaan is. Een boete kan gelijktijdig opgelegd worden met een aanwijzing, een last onder dwangsom of een exploitatieverbod. Een boete is onvoorwaardelijk en moet altijd worden betaald. Zodra één kwaliteitseis meerdere keren is overtreden, beoordeelt het college of het totale boetebedrag dat kan worden opgelegd evenredig is met de ernst van de overtredingen en de mate waarin de kwaliteit van opvang negatief werd beïnvloed. Een boete kan door het college worden opgelegd bij:
- - Het overtreden van de kwaliteitseisen uit de Wet kinderopvang en aanverwante regelgeving;
- - Het niet opvolgen van een bevel of aanwijzing;
- - Niet meewerken aan een verzoek van een toezichthouder of het bewust verkeerd informeren van een toezichthouder;
- - Het starten van de exploitatie, voor de datum van ingang van de toestemming tot exploitatie.
- - Het overtreden van een exploitatieverbod.
Hoogte bedragen last onder dwangsom en bestuurlijke boete
De Wet kinderopvang geeft het college de bevoegdheid om een bestuurlijke boete op te leggen van ten hoogste € 45.000 wanneer een aanwijzing, bevel of een vordering tot medewerking niet wordt opgevolgd.
Voor de hoogte van boetes en dwangsommen zijn in het afwegingsmodel maximum sanctiebedragen opgesteld. Proportionaliteit en een goede dosering zijn een belangrijk uitgangspunt bij handhaving. Het college stemt de hoogte van de dwangsom en boete altijd af op de ernst van de overtreding.
Bij het opleggen van een bestuurlijke boete wordt daarnaast rekening gehouden met de mate waarin de overtreding aan de overtreder kan worden verweten. Daarbij houdt het college rekening met de omstandigheden waaronder de overtreding is begaan. Verwijtbaarheid speelt geen rol bij het opleggen van een last onder dwangsom Om tot matiging van een bestuurlijke boete over te gaan, verwacht het college een actieve houding van de overtreder. Het is belangrijk dat een houder niet alleen stelt dat bepaalde (bijzondere) omstandigheden zich hebben voorgedaan, maar dat de houder dit ook aantoont.
Als met één feitelijke gedraging twee of meer overtredingen zijn begaan, legt het college alleen een dwangsom en/of bestuurlijke boete op voor de overtreding met het hoogste sanctiebedrag.
Als de overtreder kan aantonen dat hij een dwangsom en/of boete niet in één keer kan betalen zonder dat de continuïteit van de opvang in gevaar komt, dan is dat in beginsel geen reden om een dwangsom en/of boete te matigen of van het opleggen van een dwangsom en/of boete af te zien. Wel kan dit reden zijn om een betalingsregeling te treffen. Ook het (vrijwillig) sluiten van een locatie is geen reden om van het opleggen van een boete af te zien.
Het college hanteert vier categorieën van houders waar de bedragen op worden afgestemd:
- - Grote houders: een totale capaciteit van meer dan 150 kindplaatsen / bemiddelde voorzieningen voor gastouderopvang. Voor een grote houder geldt als richtlijn het volledige sanctiebedrag zoals opgenomen in het afwegingsmodel.
- - Middelgrote houders: een totale capaciteit van 51 tot en met 150 kindplaatsen / bemiddelde voorzieningen voor gastouderopvang. Voor een middelgrote houder is twee derde van het sanctiebedrag in het afwegingsmodel de richtlijn.
- - Kleine houders: een totale capaciteit van minder dan 51 kindplaatsen / bemiddelde voorzieningen voor gastouderopvang. Voor een kleine houder is de richtlijn één derde deel van het sanctiebedrag in het afwegingsmodel.
- - Voorzieningen voor gastouderopvang. Voor voorzieningen voor gastouderopvang is dat één vijfde deel van het sanctiebedrag in het afwegingsmodel.
Bij de bepaling van de grootte van de houder is de registratie in het LRK op het moment van begaan van de overtreding het uitgangspunt. Hierbij wordt op houderniveau over gemeentegrenzen heen gekeken. Na bepaling van de categorie en het bijbehorende sanctiebedrag kan er een verlaging of verhoging van het bedrag van toepassing zijn, afhankelijk van de ernst van het feit, de verwijtbaarheid of de omstandigheden van het geval en de eventuele verzachtende of verzwarende omstandigheden.
Handhaving bij een gastouderbureau gevestigd buiten de gemeente
De toezichthouder kan bij een onderzoek bij een voorziening voor gastouderopvang binnen de gemeente een overtreding vaststellen, begaan door een gastouderbureau gevestigd buiten de gemeente. Het college is doorgaans niet zelf verantwoordelijk voor het toezicht op deze bureaus. Het enige handhavingsmiddel dat geschikt en daarmee noodzakelijk is voor handhaving bij deze bureaus, is het opleggen van een bestuurlijke boete.
Voorschoolse educatie (ve)
Als er sprake is van een overtreding van de wettelijke basisvoorwaarden voor voorschoolse educatie, kan de toezichthouder ook voor de ve specifieke eisen een herstelaanbod geven.
Het college verstrekt subsidie aan kinderdagverblijven met voorschoolse educatie om een aanvullend kwaliteitsniveau te realiseren. Als de toezichthouder een overtreding vaststelt van de wettelijke kwaliteitseisen voorschoolse educatie, zet het college de handhavingsmiddelen in die hiervoor zijn beschreven.
Publicatie van handhavingsbesluiten
Het college maakt een handhavingsbesluit openbaar in het LRK zodra deze onherroepelijk is. Een handhavingsbesluit is onherroepelijk zodra alle bezwaar- en beroepsprocedures tegen het besluit zijn afgerond. In het besluit staat hoe in bezwaar en/of beroep kan worden gegaan.