**1..** Het college kan de raad vragen een startnotitie vast te stellen met daarin de uitgangspunten voor een specifiek participatietraject. De raad kan ook op eigen initiatief het college vragen om een startnotitie voor te bereiden.
**2..** Als het bestuursorgaan in het kader van inwonerparticipatie voor inspraak kiest of inspraak wettelijk verplicht is, is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, tenzij het bestuursorgaan een ander proces vaststelt.
**3..** Wanneer het bestuursorgaan inwonerparticipatie toepast, stelt het bestuursorgaan een participatieplan vast.
**4..** Onderdelen van dit participatieplan zijn in ieder geval:
doel van het participatietraject;
inhoudelijke, financiële en procedurele kaders van het participatietraject;
welk bestuursorgaan verantwoordelijk is voor het participatietraject;
de mate waarin het vraagstuk impact heeft op de leefwereld van inwoners en belanghebbenden, inclusief de verwachte impact op toekomstige inwoners en toekomstige generaties;
doelgroepen;
voorzien tijdspad;
wijze van communicatie;
wijze waarop participatie invulling krijgt (participatiemiddelen);
budget voor het participatietraject;
wijze waarop de uitkomsten van het participatietraject worden betrokken in de besluitvorming van het bestuursorgaan; en
wijze waarop het participatietraject geëvalueerd gaat worden.
**5..** Het bestuursorgaan kiest bij de wijze waarop de uitkomsten van het participatietraject bij de besluitvorming wordt betrokken uit de volgende mogelijkheden:
informeren: het bestuursorgaan haalt geen inbreng op, maar deelt relevante informatie met belanghebbenden.
raadplegen: het bestuursorgaan weegt de uitkomsten mee in zijn oordeelsvorming.
adviseren: het bestuursorgaan gebruikt de uitkomsten voor een verbeterde uitwerking van het voorliggende vraagstuk.
meebeslissen: de meerderheidsvoorkeur van de deelnemers bepaalt welk besluit het bestuursorgaan neemt.
samenwerken: het bestuursorgaan werkt samen met de deelnemers het voorliggende vraagstuk uit.
**6..** Het bestuursorgaan kan van de in het vierde lid, onder j bedoelde wijze van betrekken van de uitkomsten van het participatietraject afwijken, onder andere als het participatietraject sterk uiteenlopende visies opleverde, alle mogelijke betrokken belangen onvoldoende zijn meegewogen of de participatie leidde tot nieuwe ideeën en inzichten die op gespannen voet staan met de vooraf gestelde kaders.
**7..** Indien het naar oordeel van het bestuursorgaan noodzakelijk is om gedurende het participatietraject het participatieplan aan te passen, stelt het bestuursorgaan een vernieuwd participatieplan vast en communiceert hierover aan ten minste de doelgroepen van het participatietraject.
**8..** Het bestuursorgaan kan voorafgaand aan het participatietraject de uitkomsten van participatie, zoals dat van bepaalde doelgroepen zoals jongeren, als ‘zwaarwegend’ aanmerken. In dat geval is het bestuursorgaan gehouden de uitkomsten in het openbaar te bespreken en in het geval van het niet opvolgen van de uitkomsten dit openbaar te motiveren.
Toelichting: artikel 4
Dit artikel gaat over het ontwerpen van een traject van inwonerparticipatie. Het is belangrijk om goed na te denken over hoe een participatietraject wordt ingericht, om ervoor te zorgen dat het proces betekenisvol en toegankelijk is voor inwoners en belanghebbenden. Dit artikel helpt daarbij.
Het eerste lid gaat over de startnotitie. In de meeste gevallen is het college verantwoordelijk voor een participatietraject. Het college stelt dan een participatieplan vast, zoals beschreven vanaf lid 3 van dit artikel. Soms heeft een vraagstuk veel impact. Het college kan dan aan de gemeenteraad vragen om aanvullende kaders voor dat specifieke participatietraject vast te stellen. Dit gebeurt met een startnotitie. De raad kan hier ook zelf om vragen.
Het tweede lid gaat over inspraak. Dit is een specifieke vorm van participatie. Dit is geregeld in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. In sommige gevallen is dit verplicht. Het bestuursorgaan kan er ook zelf voor kiezen om inspraak toe te passen als vorm van participatie. Dit lid gaat niet over inwoners die tijdens een vergadering van de gemeenteraad iets zeggen. Dit wordt soms ‘inspreken’ genoemd, maar daar gaat dit lid niet over.
Het derde en vierde lid gaan over het participatieplan. In het participatieplan staan de belangrijkste keuzes voor het participatietraject. Onderdelen a tot en met j van het vierde lid beschrijven wat er in het participatieplan moet staan. Hoe de onderdelen precies worden ingevuld, verschilt per participatietraject en kan ook per fase binnen een project verschillen. Het participatieplan helpt om de belangrijkste afwegingen en randvoorwaarden in beeld te brengen en zorgt zo voor duidelijkheid. Bijvoorbeeld over de doelgroep van het participatietraject en hoe ervoor wordt gezorgd dat het participatietraject voor elke doelgroep laagdrempelig en toegankelijk is. Onderdeel d gaat in op de mate waarin het vraagstuk impact heeft op de leefwereld van inwoners en belanghebbenden, inclusief de verwachte impact op toekomstige inwoners en toekomstige generaties. Toekomstige inwoners zijn personen die tijdens het participatietraject nog niet in het betreffende gebied wonen, maar hier later komen wonen en directe impact van het vraagstuk ervaren. Toekomstige generaties zijn personen die geen directe impact ervaren, maar in de toekomst wel met de gevolgen van het vraagstuk te maken krijgen. Bij onderdeel e wordt ook beschreven hoe wordt samengewerkt met bestaande groepen van georganiseerde inwoners, zoals wijkplatforms. Het tijdspad (onderdeel f) gaat over de aanvang én de doorlooptijd van het participatietraject. Het budget (onderdeel i) gaat over de benodigde menskracht én middelen.
Als onderdeel van het participatieplan kiest het bestuursorgaan hoe de uitkomsten van het participatietraject worden gebruikt bij de uiteindelijke besluitvorming (onderdeel j). Het bestuursorgaan kiest uit (een combinatie van) de opties onder lid 5. Lid 6 bevat een aantal gevallen waarin het bestuursorgaan kan afwijken van deze keuze.
In een participatietraject is het soms nodig om tussentijds iets aan te passen aan de aanpak. In lid 7 is opgenomen dat het bestuursorgaan deze mogelijkheid heeft. Het bestuursorgaan moet deze aanpassing wel duidelijk aan de doelgroepen van het participatietraject uitleggen. In het laatste lid staat dat het bestuursorgaan vooraf kan bepalen dat de inbreng van bepaalde doelgroepen, zoals jongeren, ‘zwaarwegend’ is. Hiermee is vooraf duidelijk welke plek de inbreng van de doelgroep krijgt in de besluitvorming en welke betekenis deze inbreng heeft binnen het participatietraject.
Hoofdstuk 2:
Artikel 4:
Proces inwonerparticipatie
Onderdeel van Participatieverordening gemeente Arnhem